Hof van Justitie - C-684/22, C-685/22 en C-686/22 - 25-04-2024

Samenvatting

De gevoegde zaken Stadt Duisburg, Stadt Wuppertal, en Stadt Krefeld betreffen een prejudiciële vraag omtrent de uitlegging van artikel 20 VWEU. De vijf verzoekers in de hoofdgedingen kwamen in Duitsland aan met de Turkse nationaliteit, waarna ze de Duitse nationaliteit verkregen. Als gevolg hiervan werd hen de Turkse nationaliteit ontnomen. Na de inwerkingtreding van een nieuwe Duitse wet op 1 januari 2000, herkregen de verzoekers echter opnieuw de Turkse nationaliteit. Geen van de verzoekers had een aanvraag ingediend om hun Duitse nationaliteit te behouden, wat mogelijk was onder de Duitse wet. Bij deze procedure wordt getoetst of er een bijzonder belang bestaat bij de verkrijging van een andere nationaliteit. De verzoekers hadden geen andere nationaliteiten en verloren zo hun Unieburgerschap. De nationale rechter vroeg of deze regeling in overeenstemming was met artikel 20 VWEU.
Het Hof herhaalt dat in het kader van de ontneming van het Unieburgerschap het op zich een legitiem doel vormt om een dubbele nationaliteit te vermijden, zolang de evenredigheid van de gevolgen wordt nagegaan. Zoals benadrukt in vaststaande rechtspraak, is het cruciaal dat de procedure tot behoud van nationaliteit het daadwerkelijk mogelijk maakt om deze evenredigheidstoetsing uit te voeren. Wanneer deze toestemming uitsluitend verleend wordt indien er een bijzonder belang bestaat bij de verkrijging van de andere nationaliteit, zonder dat dit onderzocht wordt in het licht van het Unierecht, dan moet deze afweging door de nationale rechter gemaakt worden.
Het Hof stelt vast dat het, in het kader van de rechtszekerheid, in principe toegestaan is dat deze aanvraag voor nationaliteitsbehoud verzocht en verkregen moeten worden vooraleer de andere nationaliteit verkregen wordt. Volgens het Hof kan het worden aangenomen dat personen die nalaten een dergelijk verzoek te doen, blijk gegeven hebben van hun wil om niet langer burger van de Unie te zijn. Dit vereist echter wel dat de persoon naar behoren in kennis moet worden gesteld van zijn recht om te verzoeken dat een dergelijk onderzoek wordt verricht en van de termijn waarbinnen daar om moet worden verzocht. De nationale rechter moet nagaan of dit het geval was. Enerzijds moet rekening worden gehouden met het feit dat de verzoekers beweren hier niet van op de hoogte te zijn geweest. Anderzijds moet de nationale rechter rekening houden met de wetenschap dat de verzoekers op de hoogte hadden moeten zijn dat Duitsland in principe een dubbele nationaliteit wenst te vermijden, aangezien ze eerder hun Turkse nationaliteit hebben moeten afstaan om hun Duitse nationaliteit te verkrijgen. Verder moet de nationale rechter ook rekening houden met de tijdstippen waarop de verzoekers de Turkse nationaliteit herkregen hebben. Wanneer dit kort na 1 januari 2000 gebeurde, dan was het zeer moeilijk of zelfs onmogelijk om het behoud van nationaliteit aan te vragen en te verkrijgen vooraleer de Turkse nationaliteit herkregen werd, aangezien deze procedure pas in werking trad op 1 januari 2000.

Indien de verwijzende rechter concludeert dat de verzoekers in de hoofdgedingen niet de mogelijkheid hebben gehad om de procedure tot behoud van de Duitse nationaliteit doeltreffend in te leiden, dan moet de verwijzende rechter dit op incidentele wijze zelf kunnen onderzoeken, en daarbij desnoods de Duitse nationaliteit met terugwerkende kracht opnieuw toekennen.