Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 10940/17 en 15977/17 - 22-02-2024

Samenvatting

Het EHRM oordeelt in de zaak M.H. en S.B. tegen Hongarije dat de Hongaarse autoriteiten artikel 5 EVRM hebben geschonden door twee minderjarigen die in 2016 de Hongaarse grens overstaken vast te houden. Hoewel ze eerst verklaarden meerderjarig te zijn, gaven ze kort daarop aan minderjarig te zijn. De Hongaarse autoriteiten hielden de minderjarigen respectievelijk ongeveer drie en twee maanden vast. De eerste verzoeker krijgt 6.500 euro morele schadevergoeding toegekend, en de tweede verzoeker 5.000 euro.

Feiten: detentie van minderjarige asielzoekers in Hongarije

Beide verzoekers zijn geboren in 2000 en wonen in Oostenrijk.

Op 29 april 2016 werd M.H., een Afghaanse asielzoeker, door de Hongaarse autoriteiten aangehouden, en vastgehouden in een detentiecentrum. Hij kreeg een uitzettingsbesluit en een inreisverbod. In meerdere interviews voor zijn asielverzoek verklaarde hij dat hij op 1 januari 1996 was geboren. Op 4 mei 2016 gaf hij voor het eerst aan minderjarig te zijn en verzocht hij om zijn vrijlating uit detentie en plaatsing in een open opvangcentrum. Zijn verzoek werd doorgestuurd naar de Hongaarse immigratiedienst OIN, die vervolgens een leeftijdsbeoordeling overwoog, maar uiteindelijk besloot deze niet door te zetten, omdat M.H. zichzelf eerder volwassen had verklaard. Op 29 juni 2016 besloot de nationale rechter de asieldetentie van M.H. te verlengen tot 27 augustus 2016, zonder een hoorzitting en zonder zijn verklaring dat hij minderjarig was te vermelden. Zijn juridische vertegenwoordiger vroeg de OIN op 30 juni 2016 om de detentie te beëindigen, omdat M.H. een niet-begeleide minderjarige was en ernstig getraumatiseerd. Bij dit verzoek werd een Afghaans identiteitsdocument gevoegd dat zijn minderjarigheid aantoonde. Op 4 augustus 2016 ontving de OIN nog een persoonlijk identiteitsdocument dat eveneens bevestigde dat M.H. minderjarig was. Als gevolg hiervan beëindigde de OIN op 5 augustus 2016 de detentie van M.H. en kreeg hij voor de rest van de asielprocedure een verblijfplaats in een opvangcentrum voor kinderen. Op 18 augustus 2016 kreeg M.H. te horen dat zijn asielprocedure was beëindigd en hij geen humanitaire verblijfsvergunning had gekregen.

De tweede verzoeker, S.B. is een Pakistaans onderdaan. Na het onrechtmatig oversteken van de Hongaarse grens, houden de Hongaarse autoriteiten hem op 16 juni 2016 aan. Tijdens zijn eerste interview verklaarde hij dat hij in 1998 was geboren, waarop de OIN hem in asieldetentie plaatste vanwege zijn gebrek aan financiële middelen, ongeoorloofde binnenkomst met hulp van een mensensmokkelaar, en het risico dat hij zou verdwijnen. De asielprocedure werd opgeschort vanwege de lopende Dublin-procedure naar Bulgarije. Op 23 juni 2016 verklaarde hij minderjarig te zijn en verzocht hij om plaatsing in een open opvangcentrum, maar dit werd afgewezen omdat hij eerder als volwassene was geregistreerd.
Een Hongaarse rechtbank verlengde op 20 juni en 15 augustus 2016 zijn detentie, ondanks zijn verzoeken om een leeftijdsbeoordeling. Uiteindelijk startte de OIN op 10 augustus 2016 een leeftijdsbeoordelingsprocedure, en op 19 augustus werd vastgesteld dat hij tussen de 16 en 17 jaar oud was. Hierop beëindigde de OIN op 23 augustus 2016 zijn detentie en plaatste hem in een opvangcentrum voor kinderen. Na zijn vrijlating werd vastgesteld dat hij ernstige trauma's had opgelopen. Hij kreeg een verblijfsvergunning op humanitaire gronden in afwachting van de uitkomst van de asielprocedure.

Beide verzoekers beroepen zich voor het EHRM op een schending van artikel 5 EVRM voor hun detentie.

EHRM: schending artikel 5 EVRM want detentie niet te goeder trouw uitgevoerd

Beide verzoekers waren minderjarig tijdens de gebeurtenissen, wat volgens de nationale wetgeving betekende dat zij niet mochten worden vastgehouden. Het EHRM erkent dat niet kan worden genegeerd dat de verzoekers aanvankelijk informatie aan de autoriteiten hadden verstrekt waaruit bleek dat zij volwassenen waren. Op basis van die informatie werden ze vastgehouden. Slechts enkele dagen later verklaarden zij minderjarig te zijn. In een dergelijke situatie konden de nationale autoriteiten legitieme twijfels hebben over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verzoekers dat zij minderjarig waren en het kon redelijk zijn om hen niet onmiddellijk na die verklaringen in een opvang voor minderjarigen te plaatsen. Echter, het enkele feit dat de verzoekers beweerden minderjarig te zijn nadat ze eerst hadden verklaard volwassen te zijn, kon niet rechtvaardigen dat die beweringen werden afgewezen zonder passende maatregelen te nemen om de leeftijd van de verzoekers te verifiëren. Het EHRM herhaalt dat de extreme kwetsbaarheid van een kind voorrang heeft boven overwegingen over zijn of haar status als irreguliere migrant. Het merkt op dat mensen op de vlucht begrijpelijke redenen kunnen hebben om hun werkelijke leeftijd niet te onthullen, zoals onzekerheid over de eigen leeftijd of angst om gescheiden te worden van een groep of een volwassen familielid.

Uit de ingediende informatie kan het EHRM geen nationale wettelijke bepalingen afleiden die specifiek de situatie van asielzoekers die een leeftijdsbeoordeling afwachten of ondergaan, regelen. Het EHRM merkt op dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa in Resolutie nr. 2195 (2017) de lidstaten heeft opgeroepen om alternatieve opvangmogelijkheden te identificeren en te bieden voor kinderen die een leeftijdsbeoordeling afwachten of ondergaan. Het EHRM stelt dat de opsluiting van kinderen in een detentiecentrum moet worden vermeden. Alleen plaatsing voor een korte periode in passende omstandigheden kan als verenigbaar met artikel 5 § 1 EVRM worden beschouwd, mits de nationale autoriteiten kunnen aantonen dat zij die maatregel alleen hebben genomen nadat zij hebben onderzocht of er geen andere maatregel met een geringere beperking van de vrijheid kan worden toegepast.

In dit verband merkt het EHRM op dat de eerste verzoeker op 4 mei 2016 verklaarde dat hij minderjarig was. Hij werd uiteindelijk gevraagd zijn leeftijd te bewijzen door een origineel identiteitsdocument voor te leggen of door op eigen kosten een leeftijdsbeoordeling te laten uitvoeren. Op 29 juni 2016 verlengde de nationale rechtbank zijn detentie zonder in te gaan op zijn verklaring dat hij minderjarig was. Nadat de eerste verzoeker op 30 juni 2016 een Afghaans identiteitsdocument had ingediend, later gevolgd door een ander soortgelijk document, beëindigde de asielautoriteit zijn detentie op 5 augustus 2016, nadat was vastgesteld dat hij een niet-begeleide minderjarige was. In de nationale besluiten wordt niet uitgelegd waarom het document van 30 juni 2016 niet voldoende was voor een leeftijdsbeoordeling of waarom het pas een maand later werd vertaald. Het EHRM merkt in dit verband op dat het besluit om de detentie van de eerste verzoeker te beëindigen omdat hij minderjarig was, een dag na de indiening van het tweede document in de oorspronkelijke taal werd genomen. De eerste verzoeker werd drie maanden vastgehouden nadat hij de autoriteiten had geïnformeerd dat hij minderjarig was.

De tweede verzoeker verklaarde op 23 juni 2016 dat hij minderjarig was. Net als de eerste verzoeker werd hij geïnformeerd dat hij zijn leeftijd kon bewijzen door een origineel identiteitsdocument voor te leggen of door een leeftijdsbeoordeling op eigen kosten te laten uitvoeren. De tweede verzoeker bood aan te betalen voor een leeftijdsbeoordeling, maar het bleek dat deze niet op verzoek van een particulier kon worden uitgevoerd. De OIN gelastte een leeftijdsbeoordeling op 10 augustus 2016, pas nadat zij geïnformeerd waren dat de tweede verzoeker in Bulgarije als minderjarige was geregistreerd en daarheen niet kon worden teruggestuurd tenzij was vastgesteld dat hij volwassen was. De nationale rechter verlengde de detentie van de tweede verzoeker, waarbij zij opmerkte dat de leeftijdsbeoordeling nog gaande was, maar zonder in te gaan op de mogelijkheid dat hij minderjarig was. Na ontvangst van het deskundige medische oordeel dat de tweede verzoeker tussen de zestien en zeventien jaar oud was, beëindigde de OIN zijn asieldetentie op 23 augustus 2016, dus twee maanden nadat hij had aangegeven dat hij minderjarig was.

Beide verzoekers zijn dus gedurende een aanzienlijke tijd in detentie gebleven nadat zij hadden verklaard dat zij minderjarig waren. De beslissingen over hun detentie, die werden genomen nadat zij hadden beweerd minderjarig te zijn, legden niet uit waarom minder dwingende alternatieve maatregelen niet geschikt zouden zijn geweest. Er is ook geen aanwijzing dat de vertragingen bij het vaststellen van hun leeftijd noodzakelijk waren. Het EHRM vindt het bijzonder zorgwekkend dat de nationale autoriteiten, in plaats van de verzoekers het voordeel van de twijfel te geven en hun belangen voorop te stellen hen als volwassenen beschouwden louter op basis van het feit dat zij hun verklaringen over hun leeftijd hadden gewijzigd. Bovendien legden zij de last om die veronderstelling te weerleggen bij hen, zonder rekening te houden met het feit dat het voor gedetineerde asielzoekers, laat staan voor kinderen, moeilijk en mogelijk zelfs onmogelijk kon zijn om het nodige bewijs te verkrijgen om hun leeftijd te bewijzen.

Het EHRM oordeelt bijgevolg dat de nationale autoriteiten niet snel genoeg handelden en onvoldoende rekening hadden gehouden met de belangen van de kinderen. De detentie was dus arbitrair en niet te goeder trouw, wat een schending van artikel 5 § 1 EVRM betekende.