Samenvatting
In deze zaak concludeerde het EHRM dat Zweden – bij het afwijzen van een gezinsherenigingsaanvraag - een correcte afweging had gemaakt tussen het recht op gezinsleven en het algemeen belang van de staat om migratie te reguleren, en oordeelde dat er geen schending was van artikel 8 of 14 EVRM.
Feiten: gezinshereniging afgewezen wegens niet voldoen aan onderhoudsvoorwaarde
De verzoekers zijn een familie van Eritrese onderdanen. De eerste verzoeker, A.G., is geboren in 1984 en woont in Zweden, nadat haar daar in december 2015 asiel was verleend. Haar twee kinderen, geboren in 2009 en 2011, en haar moeder, geboren in 1956, wonen in Soedan. In 2017 vragen ze gezinshereniging aan met de eerste verzoekster. De eerste verzoekster klaagt over de weigering tot gezinshereniging met haar twee kinderen en haar moeder, op grond dat zij ten tijde van de aanvraag niet voldeed aan het “onderhoudsvoorwaarde” (minimuminkomen en huisvestingsvoorwaarde). Met een beroep op de artikelen 8 (recht op eerbiediging van privéleven en familie- en gezinsleven) en 14 (verbod van discriminatie) EVRM, klagen verzoekers dat de Zweedse autoriteiten door hun weigering om hen gezinshereniging te verlenen hun recht op eerbiediging van het gezinsleven heeft geschonden en dat deze beslissing een indirecte discriminatie vormde.
EHRM: ruime beoordelingsmarge niet overschreden, geen schending artikel 8 EVRM
Het EHRM beoordeelt of de Zweedse autoriteiten, binnen de hun toekomende beoordelingsruimte, een evenwichtige afweging hebben gemaakt tussen de belangen van de eerste verzoeker om met haar familie te worden herenigd en de belangen van de staat bij het reguleren van migratie in het algemeen belang van het economisch welzijn van het land.
De verzoekers betwistten de berekening van de drie maanden termijn voor vrijstelling van de onderhoudseis niet, maar voerden aan dat er objectief verontschuldigbare redenen waren waarom zij hun aanvraag voor gezinshereniging niet vóór de inwerkingtreding van de wet Tijdelijke Beperkingen hadden ingediend. Het EHRM stelde vast dat de verzoekers in de periode tussen 23 december 2015 en 20 juli 2016 een aanvraag hadden kunnen indienen zonder onderworpen te zijn aan de onderhoudseis. Omdat de verzoeker op de hoogte was van de procedure en geen bewijs leverde dat het onmogelijk was hulp of juridisch advies te krijgen, oordeelde het EHRM dat er geen geldige redenen waren voor het niet tijdig indienen van de aanvraag en dat de verzoekers niet vrijgesteld hadden moeten worden van de onderhoudseis.
De gezinsherenigingsaanvraag van de verzoekers werd afgewezen omdat de eerste verzoeker niet voldeed aan de onderhoudseis. Ze leefde destijds van een sociale uitkering en woonde in een eenkamerappartement, wat als onvoldoende werd beschouwd voor gezinshereniging. Het EHRM benadrukte dat de verzoekers pas na veertien maanden in Zweden een aanvraag indienden, en dat ze op elk moment een nieuwe aanvraag hadden kunnen doen, wat opnieuw zou leiden tot een beoordeling van de onderhoudseis.
De eerste verzoeker gaf aan dat haar verminderde mobiliteit door polio haar kansen op werk beperkte en diende medische attesten in die bevestigden dat ze geen werk kon verrichten dat veel staan, lopen of tillen vereiste, maar dat ze wel werk kon doen zittend, zoals kantoor- en administratief werk. Het EHRM oordeelde echter dat er geen bewijs was geleverd dat de verzoeker niet in staat was om te werken of dat ze voldoende pogingen had gedaan om werk te vinden. Bovendien werd opgemerkt dat de wet ruimte liet voor individuele beoordeling, wat ook in hun zaak was gebeurd. Sinds 2021 biedt de wet mogelijkheden voor vrijstellingen van de onderhoudseis in uitzonderlijke situaties, zoals voor gepensioneerden of mensen met een blijvende handicap.
Er bestaat geen discussie over het feit dat er "onoverkomelijke obstakels" waren voor de verzoekers om in Eritrea een gezinsleven te leiden. De kinderen van de eerste verzoeker worden sinds haar vertrek naar Zweden door hun grootmoeder in Soedan verzorgd. Er was echter geen bewijs dat er problemen waren met het onderhouden van contact, noch werd er een bijzondere afhankelijkheid tussen de verzoeker en haar kinderen aangetoond. Daarnaast hadden de kinderen, afgezien van de band met hun moeder, geen andere connectie met Zweden. De verzoekers behouden bovendien de mogelijkheid om opnieuw een aanvraag voor gezinshereniging in te dienen.
Het EHRM besluit dus dat de nationale autoriteiten in de omstandigheden van de onderhavige zaak een rechtvaardig evenwicht hebben gevonden tussen de belangen van de verzoekers en die van de staat, en dat zij de beoordelingsmarge die hun is toegekend bij het afwijzen van het verzoek om gezinshereniging, niet hebben overschreden. Er is bijgevolg geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM.
Geen schending artikel 14 EVRM
De verzoekers voerden ook aan dat de beslissing om de gezinshereniging te weigeren, had geleid tot indirecte discriminatie in strijd met artikel 14 in samenhang met artikel 8 EVRM. Zo stelden de verzoekers dat zij gediscrimineerd waren op basis van de handicap van de eerste verzoeker. Ze voerden ook aan dat de bewijslast naar de overheid verlegd moest worden.
De overheid stelde dat de klacht als onontvankelijk moest worden verklaard. De eerste verzoeker had niet onderbouwd dat zij door haar handicap niet in staat was om te werken of dat zij had geprobeerd te solliciteren sinds haar verblijfsvergunning in december 2015 was verleend. Ze had niet aangetoond dat zij geen werk kon vinden en niet aan de onderhoudseis kon voldoen vanwege haar handicap, of dat de wetgeving in minder strikte zin geïnterpreteerd had moeten worden vanwege haar handicap.
In hun gezamenlijke interventie voor het EHRM verwezen het Harvard Law School Project on Disability en het Centre for Disability Law and Policy aan de Universiteit van Galway onder andere naar het belang van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: CRPD). Wat betreft de onderhoudseis voor het verlenen van gezinshereniging aan personen met een handicap, wezen zij op de bevinding van het CRPD-Comité in de zaak Domina en Bendtsen tegen Denemarken. Ze voerden ook aan dat de lidstaten onder het CRPD, dat bescherming biedt die gelijkwaardig is aan die van het EHRM, de volgende verplichtingen hebben:
• Ervoor zorgen dat de onderhoudseisen voor het verlenen van gezinshereniging geen belemmering vormen voor verzoekers met een handicap, op basis van hun ontvangen sociale bijstand met betrekking tot hun handicap;
• Redelijke aanpassingen bieden om gezinshereniging voor personen met een handicap te vergemakkelijken, onder andere door de regels en procedures voor hereniging aan te passen die kunnen voorkomen dat personen met een handicap hun rechten op gelijke voet met anderen kunnen genieten;
• Zorgen voor non-discriminatie ten aanzien van leden van groepen die waarschijnlijk meer kans hebben om meerdere of verergerde vormen van discriminatie en andere schendingen van mensenrechten te ervaren, met name vrouwen met een handicap.
Het EHRM herhaalt eerdere rechtspraak dat stelt dat “discriminatie” betekent dat mensen in relevante gelijke situaties anders worden behandeld, zonder een objectieve en redelijke rechtvaardiging, en dat een verschil in behandeling geen “objectieve en redelijke rechtvaardiging” heeft wanneer het geen “legitiem doel” nastreeft of er geen “redelijke relatie van proportionaliteit bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel”. Het recht om niet gediscrimineerd te worden in het genot van de rechten die onder het EVRM zijn gewaarborgd, wordt ook geschonden wanneer staten zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging nalaten mensen wiens situaties aanzienlijk verschillend zijn anders te behandelen.
Het EHRM merkt op dat het enerzijds onbetwist is dat de mobiliteit van de eerste verzoeker tot op zekere hoogte was verminderd, dat zij niet in staat was om bepaalde soorten werk te verrichten, waaronder zwaar fysiek werk, en dat zij niet slaagde in het vinden van werk. Aan de andere kant hebben de verzoekers geen onderbouwing ingediend van hun claim dat de eerste verzoeker in zodanige mate gehandicapt was dat zij niet in staat was om te werken, of dat zij tevergeefs had gesolliciteerd naar werk.
De Zweedse autoriteiten hebben de eerste verzoeker niet vrijgesteld van de onderhoudseis ondanks haar verminderde mobiliteit, maar hebben wel ondersteuning geboden om werk te vinden. Ze werd aangeboden om taalcursussen te volgen, en had een speciale vervoersvergunning en een elektrische scooter om zich beter te kunnen verplaatsen. Tijdens de relevante periode leefde de eerste verzoeker van sociale bijstand, die niet op basis van haar handicap was verleend. Het EHRM is niet overtuigd dat de overheid tekort is geschoten. Bovendien heeft het EHRM vastgesteld dat de autoriteiten de individuele omstandigheden van de verzoekers hebben beoordeeld en dat de weigering van verblijfsvergunningen niet in strijd zou zijn met de verplichtingen van Zweden onder het EVRM. Het EHRM acht daarom dat er geen schending is van artikel 14 EVRM.