Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 313.406 - 24-09-2024

Samenvatting

De Raad moet er ingevolge de rechtspraak van het Hof van Justitie op toezien dat de bijkomende vereiste van onvermogen op eerder soepele wijze wordt toegepast door de gemachtigde als het bewijs voorligt dat gedurende een lange periode regelmatige geldstortingen voorliggen (HvJ 16 januari 2014, C-423/12, punten 23, 26 en 27).

De verwerende partij mag dus wel verwachten dat verzoeker dit onvermogen aannemelijk maakt, mits inachtneming van zowel de door het EG-Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden als de nuttige werking van de bepalingen van richtlijnen die maatregelen bevatten die erop zijn gericht, onderling de belemmeringen van het vrije verkeer van personen af te schaffen, teneinde de uitoefening van het recht van verblijf van de burgers van de Europese Unie en hun gezinsleden op het grondgebied van elke lidstaat te vergemakkelijken (zie supra Jia, § 40).

In casu blijkt dat verzoeker een “attestation de revenu” nr. xxx heeft voorgelegd waarin de Marokkaanse belastingdienst verklaart dat verzoeker voor de periode 2020, 2021 en 2022 geen belastingaangifte indiende. Bovendien legt verzoeker een ‘attest van geen inkomen’ van 10 mei 2023 voor, waarin de voorzitter van de administratieve annex 1 Al Hoceima verklaart dat verzoeker geen financieel inkomen had van 2020 tot 2022. Een ‘attest van geen eigendommen’ van 10 mei 2023, waarin de voorzitter van de administratieve annex 1 Al Hoceima verklaart dat verzoeker over geen enkele eigendom of onroerend goed beschikt tot het jaar 2023. Bevestiging van geen arbeid van 10 mei 2023 waarin de stedelijke wijkagent van het administratieve annex 1 Al Hoceima bevestigt dat verzoeker geen enkel beroep uitoefende tot 2022.

Hieromtrent stelt de verwerende partij dat aangaande de bovenstaande documenten dient te worden vastgesteld dat de documenten van de lokale autoriteiten van Al Hoceima enkel betrekking hebben op het eerste administratieve deel van Al Hoceima en derhalve niet uitsluiten dat verzoeker eventuele inkomsten had of professionele activiteiten uitoefende in andere delen van het land. Ze vervolgt dat wat de “attestation de revenu” nr. xxxx betreft niet alle inkomsten dienen aangegeven te worden zodat het voorleggen van dergelijke attesten niet uitsluit dat de verzoeker toch inkomsten heeft. De verwerende partij concludeert dat deze attesten dan ook niet aanvaard kunnen worden als afdoende bewijs van onvermogen.

Uit de neergelegde stukken blijkt duidelijk dat verzoeker in 2020, 2021 en 2022 geen belastbaar inkomen genoot. In zoverre de verwerende partij aanstipt dat de documenten uitgaan van de lokale autoriteiten van Al Hoceima, stelt de Raad vast dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker steeds heeft aangegeven in Al Hoceima te hebben gewoond. Het kan de verzoeker dan ook niet ten kwade worden geduid om zich tot de officiële lokale autoriteiten van Al Hoceima te hebben gewend. Bovendien gaan al deze attesten uit van officiële Marokkaanse instanties en niet alle attesten zijn opgesteld op basis van een verklaring op eer. Er kan worden aangenomen dat de in het land van herkomst bevoegde belastingdienst zicht heeft op de algemene situatie van de belastingplichtige die zich in zijn rechtsgebied bevindt.

Er wordt gemotiveerd dat verzoeker mogelijks over een inkomen beschikt dat niet belastbaar is/was en dat niet hoeft aangegeven te worden of dat verzoeker heeft nagelaten om dit aan te geven. De verzoeker stelt zich de vraag hoe hij anders had kunnen aantonen dat hij geen inkomsten heeft dan met een officieel uittreksel waaruit blijkt dat hij geen belastingen diende te betalen, bij gebrek aan inkomsten. Hij voert aan, met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie, dat hij dan ook heeft aangetoond dat de steun van de referentiepersoon wel degelijk noodzakelijk was om in zijn basisbehoeften te voorzien.

De Raad dient vast te stellen dat de verwerende partij, in strijd met de door haar aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie, in casu de negatieve bewijslast met betrekking tot het onvermogen van verzoeker onredelijk hoog heeft gelegd en op kennelijk onredelijke wijze het passend middel om zijn onvermogendheid aan te tonen terzijde heeft geschoven. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel wordt dan ook aannemelijk gemaakt.