Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 319.709 - 9-01-2025

Samenvatting

De Raad merkt op dat artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1 ° van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling die in functie van een Belgische ascendent een recht op verblijf laat gelden, onder meer, dient aan te tonen dat deze ascendent beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen.

Uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt dat verzoeker om aan te tonen dat zijn vader – de referentiepersoon die hij in België wenst te vervoegen - over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen beschikt, onder meer, stortingsbewijzen heeft aangebracht waaruit blijkt dat deze maandelijks aanzienlijke geldbedragen ontvangt vanwege drie in België verblijvende kinderen.

Verweerder heeft in de bestreden beslissing, inzake de voorgelegde stortingsbewijzen, aangegeven dat geen rekening kan worden gehouden met de financiële steun die de referentiepersoon van derden (met name zijn kinderen) ontvangt, omdat "het {. . .] de Belgische onderdaan [is] die zich wenst te laten vervoegen, die dient aan te tonen over voldoende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen te beschikken overeenkomstig art. 40ter van de wet van 15.12.1980 (zie arrest Grondwettelijk Hof nr. 149/2019 van 24 oktober 2019)."

Verzoeker wijst er terecht op dat de Raad van State reeds oordeelde dat stortingen die de referentiepersoon maandelijks ontvangt van een verwant, gelet op artikel 40ter iuncto artikel 42 van de Vreemdelingenwet, niet zomaar kunnen worden uitgesloten bij het beoordelen of deze referentiepersoon beschikt over stabiele en regelmatige bestaansmiddelen (cf. RvS 20 oktober 2022, nr. 254 820).

Door uiteen te zetten dat hij beschikt over een discretionaire bevoegdheid om te oordelen of het inkomen van de persoon die verzoeker wenst te vervoegen al dan niet kan volstaan om een bijkomend persoon ten laste te nemen en het de Raad dus niet toekomt deze beoordeling te doen, weerlegt verweerder de vaststelling niet dat hij heeft geweigerd om een deel van de bestaansmiddelen van verzoekers vader in aanmerking te nemen. Het komt de Raad toe om te verifiëren of verweerders standpunt in overeenstemming is met de wet. Mede gelet op de rechtspraak van de Raad van State, kan de Raad - zonder hierbij zelf enige beoordeling omtrent het toereikend karakter van de bestaansmiddelen te maken - slechts besluiten dat verweerders visie dat bewijzen inzake bestaansmiddelen die door de referentiepersoon worden verkregen via familieleden in geen geval dienstig kunnen worden aangevoerd geen steun vindt in de Vreemdelingenwet.

Waar verweerder, in zijn nota met opmerkingen, lijkt te willen aangeven dat de geldsommen die verzoekers vader van zijn drie legaal in het Rijk verblijvende kinderen ontvangt niet relevant zijn omdat "de stortingen slechts in een beperkte periode zijn gebeurd en soms meermaals per maand" en hij daarnaast meent dat deze stortingen werden verricht "in het kader van deze procedure" en dus "bezwaarlijk kan worden gesproken over stabiele en regelmatige bestaansmiddelen", dient de Raad op te merken dat het een a posteriori motivering betreft. Deze uiteenzetting laat bijgevolg niet toe te besluiten dat de overwegingen in de bestreden beslissing deugdelijk zijn. Bovendien kan, gezien verzoekers vader blijkens de voorgelegde stukken tussen oktober 2022 en augustus 2023 maandelijks verschillende geldstortingen - elk met een waarde tussen de 600 en de 950 euro - ontving van familieleden, niet worden gesteld dat slechts tijdens een korte periode stortingen werden gedaan.

Verweerder poneert dat moet worden aangenomen dat de geldstortingen die verzoekers vader van drie kinderen ontvangt "geenszins kunnen worden beschouwd als bestaansmiddelen waarover de Belgische referentiepersoon kan beschikken", maar brengt geen overtuigende argumentatie aan om dit standpunt te onderbouwen. Uit de voorgelegde rekeninguittreksels blijkt dat geldsommen door de verschillende familieleden op de persoonlijke rekening van de referentiepersoon werden gestort en uit niets kan worden afgeleid dat de referentiepersoon niet over de bedragen die op zijn rekening worden gestort zou kunnen beschikken

Verweerders bewering dat hij de geldstortingen die werden gedaan aan de door verzoeker te vervoegen persoon niet heeft uitgesloten omdat ze afkomstig zijn van een verwant, maar "omdat ze niet kunnen worden beschouwd als stabiele en regelmatige bestaansmiddelen van de Belgische referentiepersoon" vindt geen steun in de bewoordingen van de bestreden beslissing. Verweerder heeft in de bestreden beslissing aangegeven dat niet kan worden vastgesteld of verzoekers vader beschikt over "voldoende bestaansmiddelen". Een redengeving, die verenigbaar is met wat is bepaald in artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1 ° van de Vreemdelingenwet, om de bewijzen inzake de steun die drie kinderen aan de referentiepersoon geven buiten beschouwing te laten ontbreekt.

Aangezien verzoeker wel degelijk aantoonde dat zijn vader bestaansmiddelen heeft en niet blijkt dat de aangetoonde bestaansmiddelen die voortvloeien uit "familiale steun" buiten beschouwing konden worden gelaten kan, in voorliggende zaak, ook niet worden geconcludeerd dat op correcte gronden werd besloten dat een eventuele behoefteanalyse "overbodig" is.

Verzoeker kan, gelet op het voorgaande, worden gevolgd in zijn standpunt dat verweerder artikel 40ter van de Vreemdelingenwet en de materiële motiveringsplicht heeft geschonden.