Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 306.014 - 2-05-2024

Samenvatting

Uit het voorgaande lijkt te kunnen worden besloten dat verzoekers broer H. in Duitsland is erkend als vluchteling op 26 januari 2024.
Hoewel uit landeninformatie niet blijkt dat er sprake is van een systematische vervolging van familieleden van personen die in het verleden werkzaam waren voor het Afghaanse nationale leger blijkt evenwel dat familieleden van sommige individuen die onder dit profiel vallen ook vervolging riskeren, bijvoorbeeld in de context van de zoektocht van de taliban naar de persoon die werkzaam was voor de Afghaanse overheid (zie o.a. EUAA Afghanistan: Targeting of individuals van augustus 2022, p. 56-65; EUAA Country Guidance: Afghanistan van januari 2023, p. 54-55; EUAA Afghanistan-Country Focus, december 2023, p. 62-63), hetgeen in casu van toepassing kan zijn.
De Raad herinnert in dit verband aan het arrest N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov waarin het Hof van Justitie de advocaat-generaal bijtrad in zijn stelling dat de individuele beoordeling niet verhindert dat “wel rekening moet worden gehouden met de bedreigingen waaraan een gezinslid van een verzoeker is blootgesteld, teneinde te bepalen of deze verzoeker wegens zijn familieband met die bedreigde persoon, zelf wordt bedreigd met vervolging of ernstige schade” (HvJ 4 oktober 2018, N. R. K. Ahmedbekova, en R. E. O. Ahmedbekov, nr. C652/16, punten 50-51). Het Hof verwijst in dit verband meer specifiek naar overweging 36 van de Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU: “Gezinsleden zijn louter door hun verwantschap met de vluchteling normaal gezien op zodanige wijze kwetsbaar voor daden van vervolging dat zulks een grond voor de toekenning van de status van vluchteling zou kunnen vormen.”
Er kan dan ook niet worden uitgesloten dat, als het klopt dat H. werd erkend als vluchteling in Duitsland en dit te maken heeft met diens werk voor het ANA en verzoeker diens broer is, verzoeker zelf vervolging riskeert in Afghanistan.
Het is dus van belang te onderzoeken of verzoekers broer in Duitsland werd erkend als vluchteling op grond van deze werkzaamheden en om na te gaan welke verklaringen hij mogelijk heeft afgelegd over de problemen die zijn familie, waaronder verzoeker, hierdoor heeft ondervonden. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden met de originele documenten die verzoeker heeft neergelegd tijdens de terechtzitting en die zijn broer H. zou betreffen.
De Raad benadrukt in dit verband nog dat het onderzoek naar verzoekers vrees voor vervolging een toekomstgerichte beoordeling impliceert. Zelfs indien een afwezigheid van vervolging vóór het vertrek zou worden vastgesteld, sluit dit het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in geval van terugkeer van verzoeker naar Afghanistan geenszins uit, te meer gelet op de machtsovername door de taliban in 2021 en de actuele beschikbare landeninformatie. De Raad merkt hierbij op dat in de context van deze nieuwe machtsdynamiek tevens dient te worden nagegaan in welke mate verzoeker, afkomstig uit Paktika, een risico loopt om via het lokale talibannetwerk te worden geïdentificeerd als terugkeerder wiens broer erkend vluchteling is in Duitsland.
Gezien de grenzen van de ondervraging tijdens de terechtzitting en gelet op ontbreken van verdere mogelijkheden tot onderzoek, kan de Raad het beschermingsverzoek van verzoeker niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep.