Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 308.561 - 20-06-2024

Samenvatting

Artikel 27, § 1 van het WIPR voorziet in de zogenaamde erkenning de plano of van rechtswege erkenning van een buitenlandse authentieke akte indien (1) de akte voldoet aan de voorwaarden die volgens het recht van de staat waar zij is opgesteld nodig zijn voor haar echtheid en (2) haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld volgens het krachtens het WIPR toepasselijk recht en (3) dit onverminderd de toetsing van de akte aan wetsontduiking (artikel 18 van het WIPR) en aan de Belgische internationale openbare orde (artikel 21 WIPR) (cf. hof van beroep Antwerpen, arrest van 17 mei 2022, https://www.ipr.be/sites/default/files/rechtspraak/2022_2_20220517.pdf).

Uit deze bepaling volgt dus dat elke administratieve overheid, bij de uitoefening van haar bevoegdheden, een buitenlandse authentieke akte kan erkennen dan wel kan weigeren deze te erkennen.

Hierbij moet de buitenlandse authentieke akte beantwoorden aan de vereisten van het recht aangewezen door het Belgische conflictenrecht, d.i. het WIPR, en moet worden nagegaan of er geen sprake is van wetsontduiking (artikel 18 van het WIPR) of onverenigbaarheid met de openbare orde (artikel 21 van het WIPR) (RvS 1 april 2009, nr. 192.125; cf. M. TRAEST, “commentaar bij artikel 27” in J. ERAUW e.a. (eds.), Het wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2004, (152) 153-154).

In casu wordt verweerder, als overheid die bevoegd is voor de afgifte van een verblijfskaart van een familielid van een Unieburger, geconfronteerd met een buitenlandse huwelijksakte. Verweerder kan derhalve, alvorens een beslissing te nemen inzake de afgifte van een verblijfskaart, verifiëren of deze huwelijksakte waarop verzoeker zich beroept, rechtsgeldig is. Hij is hierbij dus niet gebonden door de erkenning van de huwelijksakte door de bevoegde gemeente noch door de overschrijving ervan in het bevolkingsregister.

Kernpunt van verzoekers betoog is dat verweerder zich niet in de plaats kan stellen van de Marokkaanse gezinsrechter die de volmacht om te huwen heeft aanvaard, waardoor volgens verzoeker het huwelijk naar Marokkaans recht aldus rechtsgeldig is gesloten. Verzoeker kan echter niet worden gevolgd in zijn betoog. Er werd een buitenlandse huwelijksakte voorgelegd en uit het bovenvermelde volgt duidelijk dat verweerder onder meer kan nagaan of de vormvereisten voor de afsluiting van het huwelijk zijn vervuld en of er geen sprake is van wetsontduiking of onverenigbaarheid met de Belgische (internationale) openbare orde.

De kwestie van huwen per volmacht is een vormvereiste. Dit volgt uit artikel 47 WIPR dat luidt als volgt:

“§ 1. De vormvereisten voor de voltrekking van het huwelijk worden beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied het huwelijk voltrokken wordt.
§ 2. Dit recht bepaalt met name of en volgens welke nadere regels:
1° het huwelijk in die Staat vooraf moet worden aangegeven en afgekondigd;
2° de akte van huwelijk in die Staat moet worden vastgesteld en overgeschreven;
3° het voor een godsdienstige instantie gesloten huwelijk rechtsgevolgen heeft;
4° het huwelijk bij volmacht kan plaatsvinden.”

Gelet op het feit dat verzoekers huwelijk is voltrokken in Marokko oordeelt verweerder correct dat, om na te gaan of het huwelijk bij volmacht kon worden afgesloten, naar het Marokkaanse recht en meer bepaald artikel 17 van het Marokkaans Familiewetboek moet worden gekeken. Dit wordt door verzoeker bevestigd in het verzoekschrift. Zoals ook verzoeker erkent in het verzoekschrift mogen “Marokkaanse onderdanen [... ] naar Marokkaans recht per volmacht huwen op voorwaarde dat zij hiervoor toestemming hebben bekomen van de Marokkaanse Familierechter en dat de redenen worden aangegeven die de kandidaat-echtgenoot verhinderen om het huwelijk in persoon af te sluiten (art. 17 Marokkaans Familiewetboek)”.

Blijkens de bestreden beslissing valt verweerder er onder meer over dat de volmacht niet werd voorgelegd zodat hij niet kon oordelen of en welke redenen er werden opgegeven die de kandidaat-echtgenoot verhinderen om het huwelijk in persoon af te sluiten. Hierdoor kon hij niet vaststellen of het huwelijk naar Marokkaans recht wel degelijk rechtsgeldig is, waardoor de huwelijksakte “(voorlopig)” niet erkend wordt.

Blijkens het verzoekschrift betwist verzoeker nergens dat hij de volmacht niet heeft voorgelegd aan de verwerende partij tezamen met de huwelijksakte. Verzoeker kan niet dienstig aposteriori in huidig verzoekschrift uitleg verstrekken over de inhoud van de volmacht. Deze uitleg wordt trouwens niet ondersteund door enig stuk, met name de volmacht zelf.

De Raad komt dan ook tot de vaststelling dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke motieven zoals vermeld in punt 2.14. Deze motieven volstaan om deze beslissing te schragen. De speculatie van verweerder over wat de redenen zouden kunnen zijn voor de volmacht, kan beschouwd worden als een overtollig motief.

De “aanvullende nota met extra stukken” die ter terechtzitting wordt neergelegd kan niet tot een ander oordeel leiden. Daargelaten de vraag of deze nota op ontvankelijke wijze kan worden ingediend in een annulatieprocedure, strekt het “certificaat van continuïteit van het huwelijk” dat hierbij wordt neergelegd, ertoe aan te tonen dat mevrouw K. in persoon aanwezig was op het huwelijk in Marokko. Dit staat echter niet ter betwisting en doet dus niet ter zake.

Het enig middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.