Samenvatting
Wat de periode voorafgaand aan de nationaliteitsverklaring betreft, zoals geviseerd in art. 7bis, § 2, eerste lid, 2° WBN, voert de procureur des Konings aan dat er een lacune zou zijn in de verblijfstitels van verzoeker voor de periode van 9 december 2021 (intrekking F-kaart) tot 22 juni 2022 (toekenning bijlage 15-attest).
Artikel 4 van het Koninklijk Besluit (KB) van 14 januari 2013 somt de verblijfsdocumenten op die in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2° WBN.
Volgens voormeld artikel geldt er voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden bedoeld in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet een gelijkstelling van de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag en de datum waarop hun dat recht op verblijf is toegekend. Dergelijke gelijkstelling geldt echter niet voor familieleden van een Belg bedoeld in artikel 40ter van de Vreemdelingenwet, zoals verzoeker.
Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest met nummer 77 /2021 van 27 mei 2021, waarnaar verzoeker verwijst, dat dit op zich geen discriminatie uitmaakt, maar wel dat artikel 7bis, § 2, WBN de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het, voor familieleden van een Belg bedoeld in artikel 40ter van de Vreemdelingenwet, een hiaat tussen twee verblijfsstatuten dat niet aan het gedrag of het nalaten van de aanvrager te wijten is, sanctioneert met het verval (in plaats van een schorsing) van de reeds eerder opgebouwde periode van wettelijk verblijf in het licht van de nationaliteitsverwerving, wanneer de betrokkene in die tussenperiode wettig op het grondgebied verblijft.
Verzoeker beroept zich op voornoemd arrest teneinde de declaratieve werking van de beslissing tot gezinshereniging eveneens toepasselijk te verklaren op zijn situatie.
In het licht van het voornoemde arrest dient de rechtbank eerst en vooral na te gaan of er wel degelijk sprake is van een hiaat tussen de verschillende verblijfsstatuten van verzoeker en in bevestigend geval of deze hiaat al dan niet te wijten is aan het gedrag of nalaten van verzoeker.
Verzoeker beschikte over een verblijfsrecht als arbeidsmigrant, gekoppeld aan een A-kaart, geldig tot 30 november 2022.
Nadat verzoeker op 6 februari 2021 huwde met een Belgische onderdaan, diende hij op 24 februari 2021 een eerste aanvraag in voor een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie (eigenlijk betrof het gezinshereniging met een Belg die geen gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer). Deze aanvraag werd op 27 mei 2021 door de DVZ geweigerd, wegens niet aantonen van toereikende bestaansmiddelen van zijn echtgenote. Ondanks deze weigering werd verzoeker op 15 november 2021 door de stad Brussel toch in het bezit gesteld van een Fkaart, geldig vanaf 4 november 2021. Door de toekenning van deze F-kaart, werd de A-kaart van verzoeker op 4 november 2021 gesupprimeerd.
De informatie verschaft door de DVZ bevestigt dat de F-kaart 'om onduidelijke redenen' werd uitgereikt. Verzoeker stelt dat de weigeringsbeslissing van de DVZ de stad Brussel niet tijdig bereikte. De stad Brussel zou vervolgens op 15 november 2021 hebben vastgesteld dat de termijn bedoeld in artikel 42 van de Vreemdelingenwet verstreken was en ging bijgevolg (in strijd met de weigeringsbeslissing van de DVZ) over tot uitreiking van een F-kaart op grond van artikel 52, §4, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit van 8 oktober 1981. Bij wijze van rechtzetting werd de F-kaart op 9 december 2021 gesupprimeerd, waardoor verzoeker niet meer in het bezit was van enige verblijfskaart.
Vervolgens ging verzoeker op 22 december 2021 over tot indiening van een nieuwe aanvraag voor een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie (wederom betrof het eigenlijk gezinshereniging met een Belg die geen gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer).
Deze tweede aanvraag werd wel goedgekeurd en verzoeker werd op 22 juni 2022 in bezit gesteld van een bijlage 15-attest, waarna op 4 juli 2022 de F-kaart werd uitgereikt. Gedurende de periode tussen de aanvraag op 22 december 2021 en de toekenning van de F-kaart op 22 juni 2022 diende verzoeker terug te vallen op attesten van immatriculatie.
Verzoeker merkt terecht op dat de verblijfskaart slechts het instrument is dat het onderliggende verblijfsrecht concretiseert. Dat de A-kaart van verzoeker, die in principe geldig was tot 30 november 2022, op 4 november 2021 werd gesupprimeerd door een onterechte toekenning van een F-kaart, doet geen afbreuk aan diens verblijfsrecht als arbeidsmigrant dat geldig was tot 30 november 2022, ook al was hij niet meer in het bezit van de A-kaart.
Op grond van het voorgaande kan de rechtbank alleen maar vaststellen dat er geen sprake is van een hiaat in het wettelijk verblijf van verzoeker. Verzoeker beschikte immers over een geldig verblijfsrecht als arbeidsmigrant tot 30 november 2022. De onterechte uitreiking van een F-kaart en de daaropvolgende intrekking van zijn A-kaart, geenszins te wijten aan het gedrag of het nalaten van verzoeker, doet daaraan geen afbreuk.
Bovendien dient bij de beoordeling van de door de wetgever gestelde voorwaarde van onafgebroken hoofdverblijfplaats de ratio legis voor ogen worden gehouden. Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de wetgever de Belgische nationaliteit uitsluitend wil verlenen aan vreemdelingen met een werkelijke band met België. De door de wetgever vereiste integratiecriteria, waaronder de voorwaarde van een onafgebroken hoofdverblijf, strekken er dan ook toe de verkrijging van de Belgische nationaliteit voor te behouden voor vreemdelingen die kunnen aantonen op voldoende wijze ingeburgerd te zijn (Pari. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0476/001, p. 6-7 en 17). In de licht van deze doelstelling is het belangrijk op te merken dat het gebrek aan een verblijfsdocument in de periode van 9 december 2021 tot 9 juni 2022 geenszins te wijten was aan het gedrag van verzoeker, noch het gevolg was van een gebrek aan integratie in diens hoofde, maar berustte op een administratieve fout bij de bevoegde instanties.
De rechtbank besluit dat verzoeker vanaf 15 november 2018 beschikte over een wettelijk verblijf in de zin van de nationaliteitswetgeving en bijgevolg voldoet aan de voorwaarde van vijf jaar onafgebroken zijn hoofdverblijfplaats te hebben gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf.