Samenvatting
Op 27 maart 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.N. (Laghman) (C-217/23). Deze zaak betrof een prejudiciële vraag van het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof over de uitleg van artikel 10, lid 1, onder d), en artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: ‘Kwalificatierichtlijn’). De verzoeker, een Afghaans staatsburger van Pashtun-afkomst uit de provincie Laghman, had internationale bescherming aangevraagd in Oostenrijk. Zijn verzoek werd afgewezen, waarop hij beroep aantekende. Hij voerde aan dat hij gevaar liep vanwege een bloedvete die gericht was tegen familieleden van zijn vader.
Het Hof verduidelijkte dat iemand kan worden beschouwd als “behorend tot een specifieke sociale groep" in de zin van artikel 10, lid 1, onder d) Kwalificatierichtlijn wanneer aan twee voorwaarden is voldaan: ten eerste moet sprake zijn van een aangeboren kenmerk of een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden, en ten tweede moet de betrokken groep als verschillend worden gezien door de samenleving.
Volgens het Hof wordt aan de eerste voorwaarde voldaan wanneer een man of jongen het doelwit is van een bloedvete die voortkomt uit familiebanden. Wat betreft de tweede voorwaarde stelde het Hof echter dat de perceptie van een groep door slechts enkele leden van de samenleving of door de slachtoffers zelf onvoldoende is om te spreken van een “specifieke sociale groep”.
Daarom leidt het feit dat een verzoeker om internationale bescherming het risico loopt op fysiek geweld of zelfs dodelijk geweld wegens een bloedvete die is ontstaan uit een vermogensgeschil, niet automatisch tot de conclusie dat die persoon tot een dergelijke groep behoort volgens de Kwalificatierichtlijn. Tegelijk benadrukte het Hof dat, indien een persoon bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade, het aan de nationale autoriteiten is om te beoordelen of diegene in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 2, onder f), van de Kwalificatierichtlijn.