Samenvatting
De zaak Darvate betreft een prejudiciële vraag over de doeltreffendheid van het rechtsmiddel voor onderdanen van derde landen na afwijzing van visumaanvragen voor studiedoeleinden. De verwijzing werd gedaan door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel in het kader van een geding tussen de Ordre des barreaux francophones et germanophone de Belgique en Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et les Étrangers ASBL (verzoekers) en de Belgische Staat.
De artikelen 7 en 11 van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (hierna: Studentenrichtlijn) bepaalt de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen toegang kunnen krijgen tot en verblijf kunnen nemen in een lidstaat voor studiedoeleinden. Daarnaast waarborgt artikel 34 van die richtlijn dat tegen een afwijzende beslissing een rechtsmiddel openstaat overeenkomstig het nationale recht.
Artikel 39/82 van de Verblijfswet voorziet in een beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: RvV). Deze kan enkel de rechtmatigheid van de beslissing toetsen, maar is niet bevoegd om de bestreden beslissing te herzien of voorlopige maatregelen te gelasten. Door de specifieke procedure voor studentenvisa, ontvangen sommige aanvragers pas een beslissing tussen eind augustus en begin oktober, wat slechts kort voor de start van het academiejaar is. Indien de beslissing negatief is, moeten zij zich tot de RvV wenden, die enkel de bevoegdheid heeft die beslissing te vernietigen, waardoor vaak een definitieve beslissing pas wordt genomen wanneer het academiejaar al is gestart.
Verzoekers vorderden dat dit in strijd is met Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), samen met het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven en het recht op onderwijs (artikelen 7 en 14 van het Handvest), alsook het doeltreffendheidsbeginsel. De verzoekers vorderden dat de Belgische staat wettelijke maatregelen zou vaststellen die het mogelijk maken om een doeltreffend rechtsmiddel aan te wenden tegen de afwijzing van een visum voor onderdanen van derde landen die in België wensen te studeren.
Het Hof herinnert eraan dat volgens artikel 34, lid 5 van de Studentenrichtlijn een onontvankelijkheidsbeslissing, afwijzing van de aanvraag of niet-verlenging of intrekking van een vergunning juridisch kan worden aangevochten in de betrokken lidstaat overeenkomstig het nationale recht. De aard en de concrete regeling van die beroepsprocedure moeten evenwel worden bepaald op een manier die zich verdraagt met artikel 47 van het Handvest. Volgens vaste rechtspraak van het Hof verplicht het Unierecht de lidstaten niet om andere rechtsmiddelen in te voeren dan die welke in hun nationale recht bestaan, tenzij zou blijken dat er geen enkele mogelijkheid bestaat om de uit het Unierecht voortvloeiende rechten te doen gelden.
Het Hof besluit dat artikel 34, lid 5 van de Richtlijn niet vereist dat een uitzonderlijke beroepsprocedure wordt ingevoerd die met spoed moet worden behandeld. Wel moet de ingevoerde procedure het mogelijk maken om op korte termijn een nieuw besluit vast te stellen, zodat een voldoende zorgvuldige derdelander de volle werking kan genieten van de rechten die werden ontleend aan het Unierecht. Het Hof benadrukt dat het volstaat dat een rechter enkel bevoegd is om een administratief besluit te vernietigen, op voorwaarde dat de bevoegde instanties gebonden zijn aan de beoordeling in dat arrest. Dat geldt ook wanneer de rechter geen voorlopige maatregelen kan opleggen.
Tot slot verwijst het Hof naar artikel 34, lid 1 van de Studentenrichtlijn, die bepaalt dat zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 90 dagen na de indiening van de volledige aanvraag een besluit moet genomen zijn tot toelating tot het grondgebied van de lidstaat. Deze termijn maakt het mogelijk om het nuttig effect van de rechten uit de richtlijn te waarborgen.
Om deze redenen concludeerde het Hof dat de Richtlijn geen uitzonderlijke beroepsprocedure met spoed vereist, noch dat de rechter voorlopige maatregelen kan bevelen of in de plaats van het bestuur kan treden. Wel moeten de nationale procedures zo zijn ingericht dat binnen korte termijn een nieuw besluit kan worden genomen dat strookt met het rechterlijk oordeel, zodat een zorgvuldige aanvrager daadwerkelijk gebruik kan maken van zijn Unierechtelijke rechten.