Samenvatting
In deze zaak oordeelt het EHRM dat Servië zowel artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke of vernederende behandeling) als artikel 34 (recht op individueel verzoekschrift) heeft geschonden. De verzoeker, een Bahreinse staatsburger en politiek activist, werd uitgeleverd aan Bahrein ondanks zijn bewering dat er een reëel risico bestond op foltering, vervolging of levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid tot vervroegde vrijlating. De Servische rechtbanken slaagden er niet in deze risico’s op correcte wijze te beoordelen, en de uitlevering werd uitgevoerd ondanks een voorlopige maatregel die door het EHRM was opgelegd.
Het EHRM kende een morele schadevergoeding van €9.800 toe.
Feiten: uitlevering van Bahreinse staatsburger die tot levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, ondanks voorlopige maatregelen van het EHRM
De verzoeker, een Bahreinse staatsburger geboren in 1973, werd op 3 november 2021 in Servië gearresteerd op basis van een internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Interpol in Bahrein. Dit wegens een eerdere veroordeling bij verstek in Bahrein tot levenslange gevangenisstraf op grond van terrorisme-wetgeving voor het vervaardigen, gebruiken en bezitten van explosieven, het in gevaar brengen van de openbare veiligheid en het beschadigen van staatseigendom en privébezit. De Servische rechter beval zijn voorlopige hechtenis uit vrees voor vluchtgevaar. Het bevel vermelde dat de verzoeker geen geregistreerd verblijf of werkadres had in Servië, en op het moment van zijn arrestatie een vervalst Servisch paspoort bij zich had. Ook werd vermeld dat de verzoeker weigerde vragen te beantwoorden die relevant waren voor het beoordelen van de uitleveringsvoorwaarden.
Op 12 november 2021 verzocht Bahrein om de uitlevering van de verzoeker. De door de staat aangestelde advocaat van de verzoeker vocht het detentiebevel aan. Zij voerde aan dat de verzoeker een politieke gevangene was en daarom in aanmerking kwam voor asiel, en dat hij veroordeeld was voor de feiten die ten grondslag lagen aan het uitleveringsverzoek als onderdeel van een “afrekening” met de religieuze minderheid waartoe hij behoorde. Zij stelde ook dat de verzoeker legaal in Servië verbleef met het oog op een opleiding.
Op 15 november 2021 schreef de verzoeker een brief aan de Hoge Rechtbank. Hij stelde dat hij ten onrechte beschuldigd werd van terrorisme, dat hij een politiek activist en sjiiet was, en dat hij, indien uitgeleverd, eerst gefolterd en vervolgens vermoord zou worden, wat de reden was dat hij bescherming en asiel zocht. Ook vroeg hij om een telefoontje te mogen plegen naar zijn familie zodat hij een “privé”-advocaat kon inschakelen. Diezelfde dag bezorgde de rechtbank een kopie van de brief aan zijn advocaat “ter kennisname”. Op 17 november 2021 verwierp de Hoge Rechtbank het beroep van de advocaat. De rechtbank oordeelde bovendien dat de stellingen van de advocaat over de politieke gevangenschap van de verzoeker en zijn mogelijke asielaanvraag irrelevant waren, aangezien de verzoeker feitelijk geen asiel had aangevraagd.
Op 7 december 2021 oordeelde de Hoge Rechtbank dat aan alle wettelijke voorwaarden voor uitlevering van de verzoeker was voldaan. De rechtbank verwees onder meer naar de artikelen 6-12 van het Europees Uitleveringsverdrag en artikel 7, lid 1, sub 1-3 en artikel 16 van de Wet Internationale Rechtshulp in Strafzaken (zie punten 51-52). De rechtbank merkte op dat de verzoeker bij verstek was veroordeeld en dat de autoriteiten in Bahrein garanties hadden gegeven dat hij opnieuw berecht zou worden in zijn aanwezigheid. Verder stelde de rechtbank vast dat de verzoeker geen Servisch staatsburger was, dat de ten laste gelegde feiten niet in Servië waren gepleegd, noch tegen Servië of haar burgers, dat ze ook in Servië strafbaar waren, dat vervolging en tenuitvoerlegging niet verjaard waren, dat er geen amnestie gold en dat de verzoeker in Servië niet was aangeklaagd of vrijgesproken voor die feiten. De rechtbank ging niet in op de vraag of de verzoeker een risico liep op foltering of mishandeling bij uitlevering.
Op 19 januari 2022 schakelde de door de staat aangestelde advocaat van de verzoeker het Belgrade Centre for Human Rights (BCHR) in. Ook de zus van de verzoeker vroeg BCHR om bijstand, en gaf twee advocaten volmacht om haar en haar broer te vertegenwoordigen. Het BCHR meldde aan het Asielbureau, de grenspolitie en de UNHCR dat de verzoeker, een sjiiet die in Bahrein tot levenslang was veroordeeld, asiel wilde aanvragen. De grenspolitie antwoordde op 21 januari dat dit enkel mogelijk was via persoonlijk contact of een vertegenwoordiger met volmacht. Diezelfde dag verleende de verzoeker officieel volmacht aan BCHR-medewerkers en advocaten, die diezelfde dag nog een asielverzoek indienden, net voor sluitingstijd.
Die dag werd ook gemeld dat zijn uitlevering gepland stond op 25 januari. Het EHRM legde echter op vrijdag 21 januari om 19.57 uur een voorlopige maatregel op waarin werd bepaald dat de verzoeker niet mocht worden uitgeleverd aan Bahrein tot 25 februari 2022. Deze maatregel werd nog dezelfde avond doorgestuurd naar de relevante autoriteiten. En op 23 januari bracht een politieagent de rechter ook telefonisch op de hoogte dat Interpol geïnformeerd was over het feit dat het EHRM een voorlopige maatregel had opgelegd. Ondanks de maatregel van het EHRM werd de uitlevering doorgezet: op 24 januari om 4 uur ’s ochtends werd de verzoeker overgedragen aan Bahrein. Op 25 januari vroeg het BCHR naar de status van zijn asielaanvraag. Op 27 januari liet de grenspolitie weten dat hij nooit officieel als asielzoeker was geregistreerd of een aanvraag had ingediend volgens de Asielwet.
Schending procedureel aspect van artikel 3 EVRM
Het EHRM merkt allereerst op dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak zijn onderzoek zich zal toespitsen op de vraag of de nationale autoriteiten hun procedurele verplichtingen krachtens artikel 3 EVRM zijn nagekomen. Het EHRM stelt vast dat de nationale rechtbanken bij de beslissing over de uitlevering van de verzoeker het argument van diens vertegenwoordiger, namelijk dat de verzoeker mogelijk met de doodstraf geconfronteerd zou worden bij uitlevering, hebben verworpen op grond van het feit dat de relevante Bahreinse wet geen doodstraf voorziet voor het strafbaar feit waarvoor uitlevering werd gevraagd. Dat lijkt de enige poging te zijn geweest om te analyseren of de verzoeker enig risico liep. De binnenlandse rechtbanken hebben zich niet gebogen over de vraag of de verzoeker bij uitlevering aan Bahrein het risico liep om behandeld te worden op een wijze die strijdig is met artikel 3 EVRM. Ze onderzochten de algemene situatie in Bahrein niet, noch voerden zij enig – laat staan voldoende – onderzoek uit naar de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Ze verzuimden internationale rapporten in te winnen die relevant waren voor de situatie in Bahrein, waaronder een rapport waarin specifiek werd vermeld dat de verzoeker eerder mishandeld was, en ze lieten de verzoeker niet toe om zijn beweringen te staven. Het EHRM acht het daarbij van belang dat het de verzoeker niet kan worden aangerekend dat hij geen bewijzen voorlegde, aangezien hij in detentie zat en, afgezien van het eerste contact met zijn door de staat aangestelde advocaat bij zijn arrestatie, geen verder contact met haar had, ondanks herhaalde verzoeken. Hij verklaarde dat hij documenten en foto’s had om zijn verklaringen te ondersteunen en vroeg herhaaldelijk om een advocaat zodat hij deze stukken in de rechtbank kon voorleggen.
In plaats van inhoudelijk in te gaan op de gestelde vrees voor vervolging van de verzoeker, beperkten de nationale instanties zich tot een formeel onderzoek naar de wettelijke voorwaarden voor uitlevering, met name of aan de criteria van het Europees Uitleveringsverdrag en de nationale wet op internationale rechtshulp in strafzaken was voldaan. Ze onderzochten zijn stellingen over het risico op mishandeling niet, hoewel zij daartoe bevoegd waren. De rechtbanken legden de nadruk op de aard van de gepleegde feiten en op het feit dat de verzoeker zich illegaal in Servië bevond, in plaats van op een beoordeling van zijn beroep op artikel 3 EVRM. De garanties van de verzoekende staat hadden betrekking op een nieuw proces in aanwezigheid van de verzoeker, maar de nationale rechtbanken onderzochten niet of die garanties in de praktijk voldoende bescherming boden tegen behandeling die verboden is op grond van artikel 3 EVRM. Het EHRM merkt voorts op dat ook het Ministerie van Justitie zich niet heeft gebogen over de stellingen van de verzoeker in dit verband.
Het EHRM oordeelt dat de nationale autoriteiten in de uitleveringsprocedure geen – laat staan grondig – onderzoek hebben verricht naar de beweringen van de verzoeker over het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM in Bahrein. Er is derhalve sprake van een procedurele schending van artikel 3 EVRM.
Servië schendt artikel 34 EVRM door negeren van interim-maatregel EHRM
Het EHRM herhaalt dat de Verdragsstaten krachtens artikel 34 EVRM zich ertoe verbinden om zich te onthouden van elke handeling of nalatigheid die de daadwerkelijke uitoefening van het recht op een individueel verzoek zou kunnen belemmeren. Wanneer een Staat nalaat zich te houden aan een interim-maatregel, levert dat een schending van dat recht op.
Het EHRM stelt vast – hetgeen tussen partijen niet wordt betwist – dat op vrijdag 21 januari 2022 om 19:57 uur een interim-maatregel werd uitgevaardigd op grond van Regel 39 van het Reglement van het EHRM, waarbij de uitzetting van de verzoeker werd opgeschort, en dat de gemachtigde van de regering daarvan onmiddellijk op de hoogte werd gebracht. Het EHRM merkt op dat op dat moment de uitlevering gepland was voor dinsdag 25 januari 2022, zodat de nationale autoriteiten minstens één werkdag hadden om ervoor te zorgen dat alle relevante instanties geïnformeerd werden. Pas ná het uitvaardigen en toezenden van de interim-maatregel aan de regering werd de uitlevering vervroegd naar maandag 24 januari 2022 om 4 uur ’s ochtends, om onduidelijke redenen. Het EHRM erkent dat de praktische samenwerking tussen verschillende diensten moeilijkheden kan opleveren bij de onmiddellijke uitvoering van interim-maatregelen. Echter, de regering betoogde niet dat de binnenlandse instanties niet op de hoogte waren, maar stelde slechts dat de voorlopige maatregel – omdat deze buiten de kantooruren werd uitgevaardigd – enkel per e-mail kon worden doorgestuurd. Het EHRM stelt vast dat alle betrokken instanties, inclusief het Ministerie van Binnenlandse Zaken dat verantwoordelijk was voor de uitvoering van de uitlevering, ruim op tijd werden geïnformeerd – meer dan twee dagen vóór de daadwerkelijke uitlevering op maandagochtend 24 januari om 4 uur.
Het EHRM merkt daarbij op dat het verzoek van Bahrein tot vervroeging van de uitlevering ook buiten de kantooruren werd ontvangen, namelijk op zaterdag 22 januari 2022, en dat dit – ondanks dat feit – snel werd opgevolgd door dezelfde binnenlandse instanties in datzelfde weekend.
Het EHRM acht de verklaring van de regering niet verenigbaar met de aard van een dringende maatregel die beoogt iemands onmiddellijke verwijdering te voorkomen. Dergelijke beslissingen zijn in principe eenvoudig uit te voeren, aangezien enkel aan de bevoegde lokale autoriteiten – verantwoordelijk voor de uitzetting of het detentiecentrum – moet worden meegedeeld dat de betrokkene tijdelijk niet mag worden uitgezet. Dat was in deze zaak ook het geval. Het EHRM is op basis van alle beschikbare informatie niet overtuigd dat de regering in dit geval alle redelijke stappen heeft ondernomen om aan het bevel van het EHRM te voldoen.
Het EHRM concludeert dat er geen objectieve belemmeringen bestonden om de interim-maatregel uit te voeren, en dat de Servische autoriteiten hebben nagelaten deze na te leven, waarmee zij hun verplichtingen krachtens artikel 34 EVRM hebben geschonden.