Samenvatting
In deze zaak verklaarde het EHRM de klacht van de heer Mansouri tegen Italië niet-ontvankelijk wegens het niet uitputten van de beschikbare nationale rechtsmiddelen. De verzoeker, die niet langer over een geldige verblijfsvergunning beschikte, werd de toegang tot het Italiaanse grondgebied geweigerd en vervolgens gedurende zeven dagen vastgehouden aan boord van een cruiseschip waarmee hij naar Italië was gereisd, met het oog op zijn onmiddellijke terugkeer.
Feiten: detentie van een Tunesische man aan boord van een schip dat hem op basis van een uitwijzingsbesluit moest terugbrengen naar zijn land
De verzoeker, een Tunesisch staatsburger geboren in 1976, is woonachtig in Tunesië. Tussen 2014 en 2016 verbleef hij regelmatig in Italië op basis van een tijdelijke werkvergunning, die geldig was tot april 2016.
In mei 2016 werd hij aan de maritieme grens van Palermo gecontroleerd terwijl hij zich aan boord bevond van een Italiaans cruiseschip. Bij zich had hij zijn paspoort, een verlopen verblijfsvergunning en een kopie van een eerdere aanvraag voor een langdurige verblijfsvergunning.
Bij de controle stelde de grenspolitie vast dat zijn verblijfsvergunning niet meer geldig was, dat de verlenging ervan op 31 maart 2016 was geweigerd, en dat hij niet over een geldig inreisvisum beschikte. Op basis hiervan vaardigde de politie een uitwijzingsbevel, en werd de kapitein van het schip opgedragen hem naar Tunesië terug te brengen.
Op 3 mei 2016 trachtte de advocaat van de verzoeker tevergeefs de Italiaanse politie ertoe te bewegen het bevel tot weigering van toegang in te trekken. Hij lichtte toe dat de verzoeker aan boord van het schip werd vastgehouden in een kajuit die van buitenaf werd afgesloten. Op 18 mei 2016 schreef hij een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken, waarin hij stelde dat zijn cliënt beweerde gedurende de gehele reis in een kajuit te zijn opgesloten die van buitenaf was afgesloten, zonder dat hij deze mocht verlaten. In zijn antwoord verwees de minister naar de bepalingen van het Europees recht en het nationale recht, die vervoerders verplichten om vreemdelingen die zich aan boord van het schip bevinden en aan wie de toegang is geweigerd, terug te brengen naar hun plaats van vertrek. Hij benadrukte in het bijzonder dat de verzoeker was ondergebracht in een privé-kajuit met een badkamer en passende inrichting, en dat het toezicht werd verzekerd door gespecialiseerd veiligheidspersoneel.
De verzoeker voert aan dat hij onrechtmatig van zijn vrijheid werd beroofd aan boord van het schip en dat hij geen mogelijkheid had om hierover een klacht in te dienen bij de nationale autoriteiten (artikel 5 EVRM). Daarnaast klaagt hij over de slechte leefomstandigheden tijdens de overtocht en het ontbreken van een doeltreffend rechtsmiddel om daartegen op te komen (artikelen 3 en 13 EVRM).
Jurisdictie aangetoond
Deze zaak vormde een voorbeeld van de uitoefening van de rechtsmacht van Italië, zodat de verantwoordelijkheid van die Staat werd ingeroepen in het kader van het EVRM.
Vooreerst begonnen de betwiste gebeurtenissen in de Italiaanse territoriale wateren, gingen verder op volle zee en eindigden pas toen het schip – een vaartuig eigendom van een Italiaanse rederij, varend onder Italiaanse vlag en onder het gezag van een kapitein wiens bevoegdheden onder Italiaans recht vielen – in Tunesië aankwam.
Ten tweede heeft het EHRM eerder geoordeeld dat handelingen aan boord van schepen die onder de vlag van een Staat varen, onder de rechtsmacht van die Staat vallen, en dat, krachtens de relevante bepalingen van het internationaal zeerecht, een schip op volle zee onder de exclusieve rechtsmacht valt van de Staat onder wiens vlag het vaart – een principe dat bovendien in het Italiaanse recht is opgenomen.
Tot slot achtte het de argumenten van de regering dat de gebeurtenissen niet onder de Italiaanse rechtsmacht vielen omdat ze eindigden op het grondgebied van een andere Staat, niet ter zake. Dat argument is immers niet in lijn met de rechtspraak van het EHRM, en artikel 27, lid 1 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.
Onontvankelijk wegens niet-uitputting van interne rechtsmiddelen
Het EHRM oordeelde dat de verzoeker niet alle beschikbare en effectieve rechtsmiddelen in Italië had benut. Volgens de Italiaanse overheid had de man zich kunnen beroepen op artikel 2043 van het Burgerlijk Wetboek voor schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsberoving. Het EHRM achtte dit middel geloofwaardig, ook al waren er geen voorbeelden specifiek in de context van onmiddellijke uitwijzingen.
Er bestonden daarnaast voorlopige voorzieningen onder artikel 700 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarmee eventueel ook vrijlating had kunnen worden geëist. Hoewel er nog geen rechterlijke uitspraken waren waarin dit effectief tot vrijlating had geleid, vond het EHRM dat dit geen afdoend bewijs was dat het middel ondoeltreffend was. Het had aan de verzoeker gelegen om deze weg te proberen.
Het EHRM benadrukte het belang van nationale rechtsmiddelen, vooral in migratiezaken die samenhangen met EU-regels zoals de Schengengrenscode. De weigering tot toegang tot het grondgebied en de terugkeer via de reder maakten integraal deel uit van het proces van grenscontrole, dat op zijn beurt gebaseerd was op EU-wetgeving. Omdat er geen zaak hangende was gemaakt, konden de Italiaanse rechterlijke instanties echter de situatie niet beoordelen of eventueel een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU stellen.
Geen schending artikel 3 EVRM
Wat betreft de omstandigheden aan boord, stelde het EHRM vast dat de man niet in een bijzonder kwetsbare positie verkeerde. Hij verbleef in een privé-kajuit van 11 m² met badkamer en daglicht. Er was geen bewijs dat hij geen toegang zou gehad hebben tot eten, drinken, zijn persoonlijke bezittingen en zijn telefoon (waarmee hij met zijn familie en advocaat kon communiceren). Er was geen bewijs dat hij helemaal niet naar buiten mocht. Hoewel hij stelde dat zijn verblijf aan boord onmenselijk was, vond het EHRM dat de situatie niet ernstig genoeg was om een schending van artikel 3 EVRM aan te nemen. Bijgevolg werd ook de klacht over het ontbreken van een doeltreffend rechtsmiddel (artikel 13 EVRM) ongegrond verklaard.