Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 321.897 - 18-02-2025

Samenvatting

De eerste bestreden beslissing, de beslissing tot intrekking van het verblijf van verzoekster, is gestoeld op artikel 74/20, § 2 van de Vreemdelingenwet, dat luidt als volgt:

“Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, toegekend of erkend krachtens deze wet, intrekken wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.”

Het zorgvuldigheidsbeginsel legt de overheid de verplichting op haar beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding (RvS 2 februari 2007, nr. 167.411; RvS 14 februari 2006, nr. 154.954). Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt derhalve in dat de administratie bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken.

Verweerder is van oordeel dat verzoekster gebruik heeft gemaakt van een onwettig middel om een verblijfsrecht op grond van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet te verwerven, waarbij hij doelt op het gegeven dat verzoekster een schijnhuwelijk zou zijn aangegaan met haar Belgische ex-partner. Verweerder verwijst hierbij uitdrukkelijk naar het vonnis van de familierechtbank van Antwerpen van 5 maart 2024 dat het huwelijk van verzoekster nietig verklaarde, omdat verzoekster met dit huwelijk enkel een verblijfsrechtelijk voordeel beoogde. Hij benadrukt dat een dergelijk huwelijk strijdig is met de Belgische openbare orde en het vonnis van de familierechtbank zich opdringt aan alle Belgische overheden, waaronder de Dienst Vreemdelingenzaken.

In het kader van haar op 17 mei 2024 bij de Raad ingediende beroep benadrukt verzoekster dat zij in beroep is gegaan tegen het vonnis van de familierechtbank en dat de procedure voor het hof van beroep van Antwerpen nog lopende is. Zij stelt dat de pleitdatum is voorzien op 2 december 2024. Zij geeft aan het in haren hoofde vastgestelde frauduleuze handelen te betwisten.

Op 21 januari 2025 maakt verzoekster het arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 11 december 2024 over aan de Raad. In dit arrest wordt geoordeeld dat de echtgenoot niet kon aantonen dat verzoekster enkel en alleen in het huwelijk is getreden om een verblijfsrechtelijk voordeel te krijgen, waardoor het vonnis van de familierechtbank wordt hervormd en de vordering van de echtgenoot tot nietigverklaring van het huwelijk ongegrond wordt verklaard.

De Raad benadrukt dat de uitspraak van het hof van beroep van Antwerpen van 11 december 2024, die impliceert dat het huwelijk nog steeds als geldig moet worden beschouwd en dat in hoofde van verzoekster geen sprake was van een schijnhuwelijk, maakt dat elke Belgische overheid, en dus ook verweerder, is gehouden om verzoeksters huwelijk als geldig te beschouwen. De uitspraak van het hof van beroep heeft immers een gewijsde dat erga omnes geldt.

De eerste bestreden beslissing steunt op determinerende wijze op de vaststelling dat verzoekster een schijnhuwelijk zou zijn aangegaan om een verblijfsrechtelijk voordeel te verwerven. Deze determinerende motivering is komen te vervallen door het arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 11 december 2024 waarbij voor recht wordt gezegd dat er niet wordt aangetoond dat verzoekster enkel en alleen in het huwelijk is getreden om een verblijfsrechtelijk voordeel te krijgen en waarbij de vordering tot nietigverklaring van het huwelijk als ongegrond wordt afgewezen. Het gewijsde van deze gerechtelijke uitspraak raakt bovendien de openbare orde, waardoor er grond is om zelfs ambtshalve over te gaan tot de nietigverklaring
van de met dit gewijsde strijdige beslissing.

Los daarvan wordt de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel gegrond bevonden, waar intussen de Raad niet anders kan dan vast te stellen dat de bestreden beslissing is gesteund op een incorrecte feitenvinding waar zij op determinerende wijze steunt op de vaststelling dat verzoekster een schijnhuwelijk is aangegaan. De repliek van verweerder dat hij door verzoekster niet in kennis werd gesteld van het hoger beroep, en hij hiervan dus geen kennis kon hebben, kan ook niet overtuigen. Overeenkomstig artikel 193ter van het Burgerlijke Wetboek wordt pas wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, hiervan melding gemaakt in de Databank voor Akten van de Burgerlijke Stand (DABS) en wordt dit ook pas dan, wanneer het de nietigverklaring betreft van een huwelijk dat is aangegaan met overtreding van de artikelen 146bis of 146ter van het Burgerlijk Wetboek, via de DABS genotificeerd aan de Dienst Vreemdelingenzaken. In het licht hiervan diende verweerder er dus van op de hoogte te zijn dat, tot zolang hij geen officiële notificatie kreeg inzake de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, de uitspraak niet definitief was. Door dit niet af te wachten nam verweerder het risico dat indien het vonnis van de familierechter in beroep werd teruggedraaid, de determinerende motivering van zijn beslissing zou komen te vervallen en de Raad het gewijsde van het arrest van het hof van beroep zou moeten respecteren. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan worden aangenomen.

Gelet op wat voorafgaat, is er grond tot nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing.

De nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing, die werkt met terugwerkende kracht, zorgt ervoor dat verzoekster steeds was gerechtigd op een verblijf van meer dan drie maanden in België. Deze situatie is onverenigbaar met de tweede bestreden beslissing, een bevel om het grondgebied te verlaten op grond van artikel 7, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet en dit omdat het legaal verblijf van verzoekster zou zijn verstreken. Een goede rechtsbedeling vereist dat ook de tweede bestreden beslissing mee wordt vernietigd en uit het rechtsverkeer wordt gehaald.