Samenvatting
In dit arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) zich uitgesproken over de omvang en intensiteit van de rechterlijke toetsing van terugkeerbesluiten en daarmee samenhangende vrijheidsontnemende maatregelen in het kader van het Unierecht. De zaak is aan het Hof voorgelegd in het kader van een prejudiciële spoedprocedure, waarin de verwijzende nationale rechter vragen stelde over de verplichtingen die op hem rusten bij de beoordeling van een terugkeerbesluit dat gepaard gaat met detentie. In het bijzonder wenste de nationale rechter te vernemen of hij ambtshalve dient na te gaan of een dergelijk besluit verenigbaar is met het beginsel van non-refoulement en met de fundamentele rechten zoals gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), ook wanneer de betrokken derdelander zich daarop niet uitdrukkelijk heeft beroepen.
Het Hof heeft geoordeeld dat de nationale rechter gehouden is om ambtshalve te toetsen of een terugkeerbesluit en de daarbij opgelegde vrijheidsontneming in overeenstemming zijn met het Unierecht. Deze verplichting vloeit voort uit het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming en omvat in het bijzonder een toetsing aan artikel 4 van het Handvest, dat het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing bevat, alsmede aan artikel 19, lid 2, van het Handvest, waarin het beginsel van non-refoulement is verankerd. Daarnaast dient de nationale rechter te toetsen aan de relevante bepalingen van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die onwettig op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn).
Het Hof heeft verduidelijkt dat deze ambtshalve toetsingsplicht niet afhankelijk mag worden gesteld van de proceshouding of de mate van juridische onderbouwing door de betrokken derdelander. De bescherming van fundamentele rechten, in het bijzonder tegen verwijdering naar een land waar een reëel risico bestaat op ernstige schendingen daarvan, mag niet worden uitgehold door procedurele tekortkomingen of door het ontbreken van een expliciet beroep op die rechten door de betrokkene.
Voorts heeft het Hof benadrukt dat effectieve rechterlijke bescherming vereist dat de nationale rechter bij zijn beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval betrekt. Daarbij dient hij niet alleen acht te slaan op de persoonlijke situatie van de betrokken derdelander, zoals diens gezondheidstoestand, kwetsbaarheid, gezinsleven en eventuele eerdere ervaringen, maar ook op de actuele en objectieve situatie in het land van terugkeer, voor zover deze van belang is voor de beoordeling van het risico op schending van fundamentele rechten. De rechter moet beschikken over voldoende en actuele informatie om een daadwerkelijke en inhoudelijke toetsing mogelijk te maken.
Ten aanzien van vrijheidsontneming in het kader van een terugkeerprocedure heeft het Hof herhaald dat deze maatregel slechts kan worden toegepast indien strikt is voldaan aan de voorwaarden die het Unierecht daaraan stelt. Detentie mag uitsluitend dienen ter voorbereiding van de terugkeer of ter uitvoering van de verwijdering en mag niet worden gehandhaafd indien zij, direct of indirect, zou leiden tot een schending van het beginsel van non-refoulement of andere door het Handvest beschermde rechten.