Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 21660/18 - 20-05-2025

Samenvatting

Het EHRM verklaart de klacht van de verzoekers, waarin zij “refoulement bij volmacht” en extraterritoriale jurisdictie van Italië over de reddingsoperatie in internationale wateren aanvoeren, onontvankelijk.

Feiten: reddingsoperatie nabij de Libische kust waarbij verzoekers terug naar Libië werden gestuurd

Zeventien verzoekers, afkomstig uit Nigeria en Ghana, maakten deel uit van een groep van ongeveer 150 migranten die in de nacht van 5 op 6 november 2017 vanuit Libië vertrokken in een rubberboot met als doel Europa te bereiken. Op 6 november ontving het Maritiem Reddingscoördinatiecentrum van Rome (MRCC) een noodsignaal van de boot, die zich bevond op 33 zeemijl ten noorden van Tripoli. Het MRCC zond onmiddellijk een verzoek aan alle nabijgelegen schepen om tussenbeide te komen en hulp te bieden aan de zinkende boot. Het schakelde ook het Libische coördinatiecentrum (JRCC) in, aangezien de zone onder Libische SAR-jurisdictie viel. Het Nederlandse schip Sea Watch 3 (SW3), dat zich op dat moment in de buurt bevond, nam contact op met het MRCC in Rome en bood aan om als “on-scene commander” op te treden. Tegelijkertijd liet het JRCC van Tripoli aan het MRCC weten dat het Libische schip Ras Jadir had aangesteld om de operaties als “on-scene commander” te leiden. De Ras Jadir bereikte als eerste de rubberboot.

Volgens de verzoekers veroorzaakten de manoeuvres van het Libische schip waterverplaatsingen waardoor meerdere mensen aan boord van de rubberboot abrupt in zee werden geslingerd en omkwamen. Zij stellen dat de bemanning van de Ras Jadir de schipbreukelingen geen reddingsvesten gaf en hen in het water heeft geslagen en bedreigd. De SW3 stuurde twee reddingsboten uit om de mensen die in zee waren gevallen te redden, en haalde tientallen personen aan boord, waaronder negen van de zeventien verzoekers. De overige acht verzoekers werden door de bemanning van de Ras Jadir aan boord gebracht, waarna zes van hen samen met anderen wisten te ontsnappen en alsnog de SW3 bereikten.

De twee verzoekers die aan boord van de Ras Jadir bleven, samen met ongeveer vijfenveertig andere overlevenden, zouden zijn vastgebonden, geslagen en bedreigd. Zij zouden vervolgens zijn overgebracht naar een detentiecentrum in Tajura, Libië, waar zij werden blootgesteld aan mishandeling en misbruik. Op een niet nader gespecificeerde datum werden zij teruggestuurd naar Nigeria in het kader van het programma voor vrijwillige humanitaire terugkeer van de Internationale Organisatie voor Migratie.

De vijftien verzoekers die aan boord van de SW3 waren genomen, werden naar Italië gebracht, waar zij verbleven op het moment dat het verzoekschrift werd ingediend. De twee verzoekers die aan boord van de Ras Jadir waren gebleven, bevinden zich in Nigeria.

De verzoekers stelden dat Italië jurisdictie uitoefende over de gebeurtenissen in de zin van artikel 1 EVRM, en klaagden over schendingen van de artikelen 2, 3, 4 en 13 EVRM, alsook van artikel 4 van Protocol nr. 4.

Onontvankelijkheid wegens gebrek aan jurisdictie

Het EHRM onderzocht of Italië extraterritoriale jurisdictie uitoefende, hetzij ratione loci (controle over het gebied), hetzij ratione personae (controle over de personen).

Geen effectieve controle over het gebied
Het EHRM stelt vast dat de onderhavige zaak op geen enkele wijze vergelijkbaar was met eerdere zaken waarin het EHRM de uitoefening van extraterritoriale jurisdictie ratione loci had erkend. In die eerdere zaken oefenden de staten feitelijke controle uit over een gebied buiten hun nationale grondgebied als gevolg van militaire acties – wettig of onwettig – hetzij rechtstreeks via hun strijdkrachten, hetzij via een ondergeschikte lokale administratie. Er was niets dat erop wees dat de aanwezigheid van de Italiaanse marine of de omvang van hun operaties op het relevante moment zodanig was dat het betrokken maritieme gebied feitelijk onder de controle van de Italiaanse staat viel.

Daarnaast stelde het EHRM dat de financiële en technische steun die Italië aan de Libische staat verleende in het kader van bilaterale akkoorden niet van dien aard was dat het EHRM kon aannemen dat de Libische autoriteiten in die mate afhankelijk waren van Italië dat het internationale maritieme gebied voor de Libische kust onder de effectieve controle en doorslaggevende invloed van Italië stond.

Het EHRM vond ook geen aanwijzingen dat Italië, als gevolg van die bilaterale akkoorden, de bevoegdheden van de Libische overheid inzake migratie had overgenomen op basis van toestemming, uitnodiging of stilzwijgende instemming van de Libische regering.

Bijgevolg kon niet worden geconcludeerd dat het gebied waar de verzoekers waren onderschept – en ruimer genomen de internationale wateren van de centrale Middellandse Zee – onder de effectieve controle van Italië stond, zodat in deze zaak geen sprake was van jurisdictie ratione loci.

Geen controle door Italiaanse staatsagenten
Geen van de betrokken schepen voer onder Italiaanse vlag of stond onder de feitelijke controle van Italiaanse agenten. De Libische bemanning van de Ras Jadir handelde autonoom en negeerde coördinatiepogingen van andere schepen en een Italiaanse helikopter. Het Romeinse MRCC had geen feitelijke controle over de reddingsoperatie, maar handelde volgens internationale verplichtingen inzake noodhulp op zee.

Geen juridische band met Italië
De loutere betrokkenheid van het Romeinse MRCC bij het opstarten van de reddingsprocedure volstaat niet om een juridische band te creëren tussen de verzoekers en Italië. Het EHRM bevestigde dat handelingen van staten buiten hun grondgebied enkel in uitzonderlijke gevallen leiden tot jurisdictie. De impact van nationale beslissingen op personen in het buitenland volstaat niet om jurisdictie aan te nemen, tenzij er sprake is van directe controle of gezag.

Aangezien Italië geen effectieve controle uitoefende over het gebied of de verzoekers, en er geen juridische band bestond in de zin van artikel 1 EVRM, verklaarde het Hof de klachten onder artikelen 2, 3, 4 en 13 van het EVRM en artikel 4 van Protocol nr. 4 onontvankelijk.