Samenvatting
Ten overvloede, met betrekking tot het verzoek aan de verwerende partij om een visum af te geven, herinnert de Raad eraan dat hij niet bevoegd is om de verwerende partij te verplichten een positieve beslissing te nemen op het visumaanvraag van de verzoekende partij, aangezien dat duidelijk zou ingrijpen in de beoordelingsvrijheid van de verwerende partij. Echter, voor het verzoek om de verwerende partij te verplichten een nieuwe beslissing te nemen binnen een bepaalde termijn, stelt de Raad in het algemeen dat er geen belemmeringen zijn, wanneer er aparte debatten plaatsvinden en er een schorsing is toegekend, om de verwerende partij te verplichten een besluit te nemen—zonder vooruit te lopen op de inhoud ervan—binnen een termijn die past bij de omstandigheden van de zaak, zodat het schorsingsarrest daadwerkelijk nut heeft. De Raad acht het ook van belang om te benadrukken dat het schorsen van de uitvoering van een besluit geen enkele invloed heeft op het vervolg van een eventuele gewone vernietigingsprocedure en op geen enkele wijze afbreuk doet aan het wettelijke begrip “voorlopig” zoals bedoeld in artikel 39/84 van de wet van 15 december 1980 (zie in dit verband ook RvS, niet-ontvankelijkheidsbeslissing nr. 9681 van 22 mei 2013).
Tot slot, wat betreft het verzoek om een dwangsom op te leggen, stelt de Raad vast dat de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet voorziet in de mogelijkheid om bij de behandeling van beroepen waarvoor deze Raad bevoegd is, een dwangsom op te leggen. Deze bevoegdheid, zoals verzocht door de verzoekende partij en vergelijkbaar met die uit artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan niet worden verondersteld en moet expliciet in de wet zijn opgenomen. De conclusie is dan ook dat dit verzoek niet ontvankelijk is (zie in dezelfde zin RvV, 2 juli 2007, arrest nr. 513).