Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 323.156 - 11-03-2025

Samenvatting

Verzoekers betogen dat zij in hun aanvraag tot verblijfsmachtiging weldegelijk hebben uiteengezet waarom ze in de onmogelijkheid verkeren om de vereiste identiteitsdocumenten voor te leggen: hun twee minderjarige kinderen beschikken niet over een identiteitsdocument en kunnen zich – gelet op de lopende asielprocedure van hun minderjarige broer – niet tot de Eritrese ambassade wenden om een identiteitsdocument te bekomen. Verzoekers benadrukken dat indien zij vrijwillig contact zouden opnemen met de Eritrese ambassade, dit zal worden geïnterpreteerd alsof zij geen vrees voor vervolging koesteren. Volgens verzoekers geldt dit voor het volledige gezin. Verzoekers bekritiseren dat hierop niet wordt ingegaan in de bestreden beslissing.

Verzoekers kunnen niet worden gevolgd waar zij voorhouden dat de gemachtigde hiermee geen rekening zou hebben gehouden of dit element niet heeft besproken in de bestreden beslissing. Uit een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing blijkt immers dat verweerder rekening heeft gehouden met het argument van verzoekers dat zij zich – gezien de lopende asielprocedure van hun minderjarige broer/zoon – niet zouden kunnen wenden tot de Eritrese ambassade. Verweerder aanvaardt dit element echter niet als een afdoende motivering die toelaat verzoekers vrij te stellen van de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde vervat in artikel 9bis, §1 van de Vreemdelingenwet. Verweerder motiveert dat noch verzoekers zelf – de ouders van het gezin – noch de twee minderjarige kinderen in wiens hoofde de aanvraag tot verblijfsmachtiging met toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet werd ingediend een hangend verzoek om
internationale bescherming hadden ingediend op het moment van de indiening van de voorliggende aanvraag tot verblijfsmachtiging. Verweerder besluit dat verzoekers zich niet kunnen beroepen op de lopende asielprocedure van hun minderjarige zoon/broer als geldige motivering om vrijgesteld te worden van de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde.

In wezen herhalen verzoekers louter hetgeen zij reeds in hun aanvraag tot verblijfsmachtiging uiteen hebben gezet. Het feit dat verzoekers een andere mening zijn toegedaan, doet geen afbreuk aan de wettigheid van bovenvermelde motieven. In wezen geven verzoekers hiermee louter een eigen versie van of verklaring voor de feiten weer, zodat ze in wezen hun beoordeling in de plaats stellen van de beoordeling gedaan door verweerder. De aangevoerde kritiek geeft te dezen aldus weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan die van bevoegde overheid, doch het onderzoek van deze andere beoordeling nodigt de Raad uit tot een opportuniteitsonderzoek, hetgeen niet tot zijn bevoegdheid behoort. Verzoekers tonen niet aan dat verweerder op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze tot de conclusie is gekomen dat de lopende asielaanvraag van het jongste minderjarige kind van het gezin geen geldige motivering is waarom verzoekers, die een aanvraag tot verblijfsmachtiging indienen in naam van hun twee andere minderjarige kinderen die geen lopende asielprocedure hebben, vrijgesteld zouden moeten worden van de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde.

Verder kunnen verzoekers worden gevolgd waar zij stellen dat verweerder zich in de bestreden beslissing (onder meer) expliciet steunt op punt II C 1-b van de omzendbrief van 21 juni 2007 betreffende de wijzigingen in de reglementering betreffende het verblijf van vreemdelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006 (hierna: de omzendbrief van 21 juni 2007), waarbij het begrip “identiteitsdocument” wordt omschreven als “een internationaal erkend paspoort of een gelijkgestelde reistitel, of een nationale identiteitskaart”, dat in de bestreden beslissing expliciet naar deze bepaling wordt verwezen en dit wordt beschreven terwijl artikel 9bis van de Vreemdelingenwet niet nader toelicht wat onder “identiteitsdocument” dient te worden begrepen.

Verzoekers betogen dat verweerder punt II C 1-b van de omzendbrief van 21 juni 2007 derhalve hanteert als een verplichting, hetgeen niet voorzien is in artikel 9bis van de Vreemdelingenwet; dat verweerder derhalve een reglementaire draagwijdte toekent aan punt II C 1-b van de omzendbrief van 21 juni 2007; dat omzendbrieven in principe geen verordenend karakter kunnen hebben en bijgevolg ook geen nieuwe en dwingende rechtsregels kunnen creëren; dat naar de inhoud van de omzendbrief van 21 juni 2007 deze evenwel dient te worden gekwalificeerd als een verordenende omzendbrief; dat verordenende omzendbrieven tot doel hebben een dwingende rechtsregel te formuleren die moet worden nageleefd door degenen tot wie de omzendbrief is gericht; dat om verordenend te zijn de omzendbrief een nieuwe regel aan de bestaande rechtsorde moet toevoegen, de auteur de bedoeling moet hebben om de richtlijnen die in de omzendbrief vervat zijn verplicht te stellen, de overheid die de omzendbrief uitvaardigt, de bevoegdheid heeft om degene die de richtlijn moet toepassen te binden en die overheid tevens beschikt over de middelen om de handhaving van de richtlijnen af te dwingen en dat aan deze criteria is voldaan.

Verzoekers menen dat gelet op de criteria gehanteerd door de Raad van State, de omzendbrief van 21 juni 2007 dient te worden gekwalificeerd als een verordenende omzendbrief; dat de bestreden beslissing hierop gebaseerd is, zoals woordelijk blijkt; dat uit voorgaande vaststellingen blijkt dat aan de omzendbrief van 21 juni 2007 waarop de bestreden beslissing is gestoeld, een reglementaire draagwijdte moet worden toegeschreven; dat aan een verordenende omzendbrief dezelfde rechtmatigheidseisen worden gesteld als aan alle verordenende besluiten, zoals onder andere het voorafgaand advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving – behoudens dringende noodzakelijkheid – en de publicatie in het Belgisch Staatsblad; dat op grond van artikel 3, §1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, het ontwerp van deze omzendbrief aan de afdeling wetgeving van de Raad van State dient te moeten worden voorgelegd; dat zulks niet gebeurd is, waardoor de omzendbrief van 21 juni 2007 onwettig is en dat de bestreden beslissing zich derhalve ten onrechte heeft gebaseerd op de omzendbrief van 21 juni 2007 om de bestreden beslissing te onderbouwen, waardoor deze eveneens onwettig is.

Uit een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing blijkt dat deze beslissing steunt op artikel 9bis van de Vreemdelingenwet. Zoals hierboven reeds aangehaald, blijkt uit dit artikel dat een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet gepaard moet gaan met een identiteitsdocument. In de Memorie van Toelichting wordt over deze documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde het volgende gesteld: “De bedoeling van artikel 9bis is een duidelijk kader te scheppen voor de aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf, die in buitengewone omstandigheden wordt ingediend door een vreemdeling bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Zo wordt duidelijk bepaald dat een identiteitsdocument, zijnde een paspoort of daarmee gelijkgesteld reistitel onontbeerlijk is: de machtiging tot verblijf kan niet anders dan onontvankelijk verklaard worden indien iemands identiteit onzeker is. Er dient vermeden te worden dat verblijfsvergunningen dienen om de (gewilde) onduidelijkheid over de identiteit te gaan regulariseren.” (Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, Memorie van Toelichting, Parl.St. Kamer, zittingsperiode 51, n° 2478/001, p. 33). Hieruit blijkt dat het de wil van de wetgever zelf was om de term ‘identiteitsdocument’ uit artikel 9bis van de Vreemdelingenwet strikt te interpreteren als “zijnde een paspoort of daarmee gelijkgesteld reistitel”. De omzendbrief van 21 juni 2007 weerspiegelt slechts het gestelde in de Memorie van Toelichting en verduidelijkt: “in dit verband kunnen enkel een internationaal erkend paspoort of een gelijkgestelde reistitel, of een nationale identiteitskaart aanvaard worden. Het is hierbij niet vereist dat deze documenten nog geldig zijn”. De omzendbrief geeft aldus geen eigen interpretatie aan het begrip ‘identiteitsdocument’ vermeld in artikel 9bis van de Vreemdelingenwet doch geeft slechts weer wat in de reeds voornoemde Memorie van Toelichting kan worden gelezen en voegt ook geen voorwaarde aan artikel 9bis van de Vreemdelingenwet toe.

Gelet op het voorgaande maken verzoekers dan ook niet aannemelijk dat de omzendbrief van 21 juni 2007 dient te worden gekwalificeerd als een verordenende omzendbrief die een nieuwe regel aan de bestaande rechtsorde toevoegt. Het betoog van verzoekers omtrent de rechtmatigheidseisen die worden gesteld aan verordenende omzendbrieven en hun vaststelling dat de omzendbrief van 21 juni 2007 hieraan niet voldoet, zijn dan ook niet dienstig. Verzoekers maken met hun betoog niet aannemelijk dat de omzendbrief van 21 juni 2007 onwettig is noch dat de bestreden beslissing zich derhalve ten onrechte heeft gebaseerd op de omzendbrief van 21 juni 2007 om de bestreden beslissing te onderbouwen, waardoor deze eveneens onwettig zou zijn.

Vervolgens wijzen verzoekers erop dat ze een bijlage 26 hebben voorgelegd waarop de identiteiten van hun minderjarige kinderen worden vermeld. Waar verzoekers aanvoeren dat verweerder elk identiteitsdocument uitsluit dat werd opgesteld in het kader van een verzoek tot internationale bescherming; dat verweerder dit hanteert als een reglementaire bepaling terwijl artikel 9bis van de Vreemdelingenwet deze vereiste niet oplegt en dat verweerder niet op een zorgvuldige manier heeft rekening gehouden met de doelstelling van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet die erin bestaat om met voldoende zekerheid de identiteit van de aanvrager te kunnen vaststellen, herhaalt de Raad dat uit de voorbereidende werken van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat een vreemdeling die een verblijfsaanvraag indient overeenkomstig artikel 9bis van de Vreemdelingenwet zijn identiteit “aantoont” en dat een identiteitsdocument, zijnde een paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel in die zin onontbeerlijk is. De gemachtigde stelt in de bestreden beslissing in die zin vast dat de aanvraag niet vergezeld ging van een kopie van het internationaal erkend paspoort of een gelijkgestelde reistitel, noch van een kopie van de nationale identiteitskaart; dat de door verzoekers voorgelegde bijlage 26 niet aanvaard kan worden als zijnde een identiteitsdocument aangezien een bijlage 26 afgeleverd wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van een verzoek tot internationale bescherming op basis van de door verzoekers verstrekte identiteitsgegevens en dat de omzendbrief van 21 juni 2007 (punt II C 1-b) stelt dat de identiteit en nationaliteit moeten bewezen worden door een internationaal erkend paspoort of een gelijkwaardige reistitel of een identiteitskaart. Verzoekers tonen met voorgaand betoog niet aan dat verweerder, door op dergelijke manier te motiveren, in strijd handelt met artikel 9bis van de Vreemdelingenwet of niet op een zorgvuldige manier heeft rekening gehouden met de doelstelling van deze bepaling. Verzoekers tonen niet aan dat verweerder in casu onwettig optrad door te oordelen dat de door hen aangebrachte bijlage 26 geen geldig identiteitsbewijs is.

Tenslotte betogen verzoekers dat de identiteiten van hun twee minderjarige kinderen niet ter discussie staan. Ze wijzen op het feit dat de identiteiten van hun kinderen niet door de Dienst Vreemdelingenzaken, noch door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in twijfel werden getrokken. De Raad merkt op dat het enkele gegeven dat de identiteiten van verzoekers’ kinderen in het kader van eerdere procedures niet werden betwist, op zich niet betekent dat zij vrijgesteld zijn van de ontvankelijkheidsvoorwaarde om een identiteitsdocument te moeten indienen op het ogenblik van hun aanvraag tot verblijfsmachtiging. Minstens maken verzoekers het tegendeel niet concreet aannemelijk.

Gelet op het voorgaande maken verzoekers dan ook niet aannemelijk dat verweerder op foutieve, onzorgvuldige of kennelijk onredelijke wijze heeft geoordeeld dat de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde voor de voorliggende aanvraag niet is vervuld en de aanvraag daarom onontvankelijk is. Een schending van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet wordt niet aannemelijk gemaakt. Evenmin blijkt in het licht hiervan een schending van de materiële motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel of van het redelijkheidsbeginsel.