Samenvatting
Hoewel arrest 79/2022 handelde over een tijdelijke onderbreking van de tewerkstelling ten gevolge van ouderschapsverlof, kan deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof naar analogie ook worden toegepast op onderbrekingen in de tewerkstelling die het gevolg zijn van het willen of moeten veranderen van werkgever (zie in die zin Rb. Brussel, 26 januari 2024, T. Vreemd 2024 (weergave), afl. 3, 294). Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof volgt dat bij de beoordeling van de door de wetgever opgelegde voorwaarde van maatschappelijke integratie, de door de wetgever nagestreefde doelstelling voor ogen dient te worden gehouden, met name het waarborgen van een daadwerkelijke band met de Belgische samenleving.
Het bewijs van maatschappelijke integratie aan de hand van vijf jaar onafgebroken tewerkstelling gaat ervan uit dat door deelname aan het economisch leven de kandidaat een maatschappelijke integratie verwerft. Wanneer onderbrekingen van die aard zijn dat aan deze maatschappelijke integratie getwijfeld kan worden, dienen deze uiteraard door te wegen, doch wanneer het slechts zeer beperkte onderbrekingen betreft, dient te worden nagegaan of deze een daadwerkelijke verankering in de onthaalgemeenschap verhinderen. Beperkte periodes van tijdelijke werkloosheid doen dan ook niet in elk geval afbreuk aan het bewijs van maatschappelijke integratie door vijf jaar onafgebroken tewerkstelling (zie ook S. Vandromme, l<nelpunten van de burgerlijke stand en de Belgische nationaliteitswetgeving, CBR, Universiteit Antwerpen, 2015, p. 262). Dit dient door de rechtbank in functie van de concrete omstandigheden te worden beoordeeld.
ln de concrete omstandigheden van deze zaak is de rechtbank van oordeel dat de korte onderbrekingen in de tewerkstelling, enerzijds omwille van de coronapandemie, en anderzijds verband houdende met het feit dat verzoeker werkte via interim contracten, niet beletten dat verzoeker zijn maatschappelijke integratie afdoende aantoont. Het kan niet worden ingezien op welke wijze deze beperkte onderbrekingen in de voor het overige onafgebroken tewerkstelling van vijf jaar voorafgaand aan de verklaring, bovendien te wijten aan redenen die niet enkel toe te schrijven zijn aan verzoeker, zouden verhinderen dat verzoeker getuigt van voldoende maatschappelijke integratie.
De rechtbank besluit dat aan de grondvoorwaarde van maatschappelijke integratie is voldaan.