Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 335.043 - 28-10-2025

Samenvatting

De Raad kan, samen met verzoeker, enkel vaststellen dat er in (oud) artikel 10 van de Vreemdelingenwet voor gehuwden helemaal geen verblijfsvoorwaarde van “wettelijke samenwoonst” wordt vermeld. In (oud) artikel 10 van de Vreemdelingenwet wordt enkel vereist dat de buitenlandse echtgenoot “komt samenleven” met zijn huwelijkspartner, die in België internationale bescherming geniet. 

In (oud) artikel 10, § 2, tweede lid van de Vreemdelingenwet wordt wel een voorwaarde opgelegd omtrent het beschikken over behoorlijke huisvestiging. Volgens het vijfde lid van deze wetsbepaling gold deze voorwaarde echter niet voor zover het huwelijk al bestond vooraleer de referentiepersoon het Rijk binnenkwam en voor zover de gezinsherenigingsaanvraag werd ingediend in de loop van het jaar na de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, zoals in casu het geval is. In de bestreden beslissing leest de Raad op zich ook nergens dat de voorwaarde inzake “de behoorlijke huisvesting” zou gelden en hieraan niet zou zijn voldaan. In zijn nota met opmerkingen bevestigt verweerder “dat de bestreden beslissing niet gesteund is [op] het motief van ‘onvoldoende huisvesting’”.

Gelet op voorgaande vaststellingen, kan de Raad verzoeker volledig volgen in zijn standpunt dat het onduidelijk is wat verweerder precies bedoelt met het motief dat de “werkelijke verblijfplaats” van de referentiepersoon “officieel ongekend” is en hoe dit leidt tot de vaststelling dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de gezinshereniging zoals vervat in artikel 10 van de Vreemdelingenwet, waarin – in tegenstelling tot wat verweerder poneert – voor gehuwden helemaal geen “noodzakelijke voorwaarde van wettelijke samenwoonst” geldt. Verzoeker wordt aldus bijgetreden waar hij stelt dat de voorziene motivering niet als pertinent en draagkrachtig, en dus evenmin als afdoende, kan worden beschouwd.