Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 321.896 - 18-02-2025

Samenvatting

Verzoekster betwist op zich niet dat zij in het kader van haar aanvraag geen buitengewone omstandigheden heeft aangebracht, maar wijst er op dat de bevoegde dienst van de gemeente Zaventem haar per e-mail van 27 november 2023 meedeelde als volgt:

“Wij hebben opzoeking gedaan voor de opstart van de gezinshereniging, voor 26/11/2023 moet u de volgende documenten voorleggen:

Echtgenoot:

- Paspoort

- Medisch attest […]

- Huwelijksakte […]

- Recent uittreksel strafregister […]

[…]

Voor de kinderen:

- Paspoort

- Medisch attest […]

- Geboorteakte […]”

Zij stelt vervolgens de gevraagde documenten te hebben voorgelegd om de aanvraag tot gezinshereniging in te dienen, waarna haar de bijlage 15bis (“ontvangstbewijs van een aanvraag voor een toelating tot verblijf”) werd afgegeven. Zij stelt dat zij er op geen enkel ogenblik op werd geattendeerd dat zij buitengewone omstandigheden moest aantonen en dat indien dit wel het geval was geweest zij tijdig buitengewone omstandigheden had kunnen aanbrengen. Zij voert aan niet correct te zijn geïnformeerd door de overheidsinstantie waarbij zij haar aanvraag heeft ingediend, alsook dat deze overheidsinstantie haar misleidende informatie heeft gegeven die haar heeft benadeeld.

Dit betoog van verzoekster wordt bijgetreden.

Er moet immers worden vastgesteld dat de gemeente waar verzoekster haar aanvraag indiende vanaf het begin perfect op de hoogte was van de binnenkomstdocumenten waarover verzoekster beschikte. Op basis van deze binnenkomstdocumenten stelde deze gemeente verzoekster op 27 november 2023 namelijk in het bezit van een aankomstverklaring. Uit de door haar aangebrachte stukken in het kader van huidig beroep blijkt verder dat verzoekster zich heeft geïnformeerd bij deze gemeente inzake de stukken die zij diende voor te leggen om in België een aanvraag tot gezinshereniging met haar echtgenoot in te dienen. Zoals zij terecht aanhaalt, werd zij er op geen enkele wijze op gewezen dat zij op basis van haar binnenkomstdocumenten in beginsel niet gerechtigd was op het indienen van de aanvraag in België of dat zij hiervoor buitengewone omstandigheden diende aan te tonen. Integendeel zelfs, verzoekster werd op 13 december 2023 door de betrokken gemeente, en op basis van de voorgelegde binnenkomstdocumenten, in het bezit gesteld van een ontvangstbewijs van een aanvraag voor een toelating tot verblijf (bijlage 15bis) in toepassing van artikel 12 bis, §§ 3, 3bis en 4 van de Vreemdelingenwet en artikel 26, § 1, lid 2 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit wijst er op dat volgens de betrokken gemeente verzoekster was gerechtigd om, op basis van haar binnenkomstdocumenten, de aanvraag in België in te dienen. Deze laatste bepaling voorziet zo, in de situatie van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet, als volgt: “Indien de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag alle vereiste documenten overlegt, overhandigt de burgemeester of zijn gemachtigde hem een ontvangstbewijs van zijn aanvraag, conform het model in de bijlage 15bis. De aanvraag en een kopie van de bijlage 15bis worden onmiddellijk naar de Minister of zijn gemachtigde gestuurd. Met het oog op de eventuele inschrijving van de vreemdeling in het vreemdelingenregister laat de burgemeester of zijn gemachtigde tot een verblijfsonderzoek overgaan.”

De bewijslast in het kader van een aanvraag tot gezinshereniging rust weliswaar op verzoekster. Ook komt het haar toe zelf de nodige stappen te zetten om zich correct te informeren over de voor te leggen stukken en elementen. Echter blijkt uit de voorgelegde stukken dat zij zich wel degelijk heeft geïnformeerd bij de overheidsinstantie waar zij haar aanvraag moest indienen en dat net deze instantie haar niet correct heeft geïnformeerd inzake de modaliteiten om de aanvraag in België te kunnen indienen, waardoor zij werd verhinderd de volgens haar buitengewone omstandigheden aan te tonen die rechtvaardigen dat haar aanvraag in België wordt ingediend. 

In de gegeven omstandigheden moet het middel van verzoekster, voor zover onderzocht, gegrond worden bevonden.