Samenvatting
Wat betreft de voorwaarde dat verzoeker ook ten laste moet zijn op het ogenblik van het indienen van deze zevende aanvraag, zijnde op 2 april 2024 voert verzoeker enkel aan dat de noodzaak van de materiële steun enkel in het land van herkomst moet bestaan en dat vooruitzichten op werk eens hij het verblijfsrecht heeft verkregen, geen invloed hebben op de interpretatie van de voorwaarde van ten laste zijn. De Raad stelt echter vooreerst vast dat uit de hoger geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het, anders dan verzoeker aanvoert, niet volstaat dat men ten laste was op het ogenblik dat men is aangekomen in België of dat men ten laste was in het land van herkomst. Verder is de feitelijke situatie van verzoeker echter niet vergelijkbaar met een eventueel vooruitzicht op werk na het verkrijgen van het verblijfsrecht. Verzoeker betwist het motief niet dat hij al jaren voorafgaand aan de huidige aanvraag van 2 april 2024, zijnde reeds van 2020 tot op heden, onafgebroken tewerkgesteld was/is in België. Verzoeker heeft weliswaar zeven aanvragen ingediend, doch heeft nooit enig verblijfsrecht verworven. Het gaat dus in casu niet om een hypothetisch vooruitzicht op werk na het verkrijgen van een verblijfsrecht. Het feit dat verzoeker inderdaad het recht had te werken tijdens zijn procedures om gezinshereniging en dat hij heeft getracht zich te integreren en daarbij ook werk heeft gevonden, ontslaat verzoeker evenwel niet van de vereiste aan te tonen dat hij ook nog op 2 april 2024, ogenblik van het indienen van de thans voorliggende aanvraag, ten laste was van zijn Italiaanse vader. In die zin heeft de gemachtigde terecht gemotiveerd over de door verzoeker voorgelegde eigen loonfiches en hierover gesteld dat de integratie, door het ononderbroken werken sedert 2020 lovenswaardig is, maar niet strookt met de voorwaarde dat verzoeker, ouder dan 21 jaar, moet aantonen ten laste te zijn van de referentiepersoon. Deze lijn was overigens ook reeds bevestigd door de Raad van State in zijn arresten van 19 augustus 2024, nrs. 260.507 en 260.508, voorafgaand aan de bestreden beslissing. De Raad concludeert aldus dat de gemachtigde op deze grond reeds op zorgvuldige en redelijke wijze kon vaststellen dat verzoeker niet heeft aangetoond voorafgaand aan de huidige aanvraag ten laste te zijn van zijn Italiaanse vader.
In principe volstaat dit voor de bespreking van de voorwaarde van het ten laste zijn, aangezien zoals hoger gesteld, de voorwaarde van het ten laste zijn in het land van herkomst en op het ogenblik van het indienen van de thans voorliggende aanvraag in België, cumulatief moet vervuld zijn.