Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 327.383 - 28-05-2025

Samenvatting

In dit geval wijst niets erop dat de gezinshereniger onder het in artikel 40, § 4, lid 1, 2° en 3° Vw. bedoelde geval valt. Integendeel, DVZ vermeldt in de aangevochten beslissing dat de referentiepersoon een invaliditeitsuitkering en een vergoeding naar aanleiding van haar arbeidsongeval”, wat doet vermoeden dat zij onder de toepassing valt van de artikelen 40, § 4, lid 1, 1°, en 42bis, § 2, 1° Vw. De Raad is dan ook van oordeel dat de motivering van de bestreden beslissing ontoereikend is wat betreft de redenen waarom de verwerende partij van mening is dat de verzoekende partij het bewijs had moeten leveren van de middelen van bestaan van de gezinshereniger, terwijl:

  • artikel 47/1 van de wet van 15 december 1980 de verzoeker verplicht aan te tonen dat hij ten laste is van de persoon die het verblijfsrecht opent, zonder nadere precisering, en
  • het bewijs van voldoende middelen slechts kan worden geëist van burgers van de Unie die hun recht op vrij verkeer uitoefenen als personen met voldoende middelen of als studenten.

Aangezien de verwerende partij de financiële draagkracht van de gezinshereniger wilde beoordelen om de eiser te onderhouden, had zij de reden daarvoor moeten motiveren.

De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit, waarin wordt gesteld dat de middelen van bestaan van de gezinshereniger niet het bedrag bereiken waaronder sociale bijstand kan worden toegekend, in dit opzicht onvoldoende en onjuist is gemotiveerd en in strijd is met artikel 47/1 van de wet van 15 december 1980.