Samenvatting
De Raad betwist niet dat misdrijven tegen personen, waaronder het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel, een zeer ernstig karakter kunnen aannemen. Evenwel kan niet elk misdrijf tegen een persoon op éénzelfde wijze worden beoordeeld, waarbij moet worden vastgesteld dat er verschillende gradaties van ernst bestaan. Dit blijkt ook uit de door de Belgische wetgever voorziene staftoemeting, die naar gelang de omstandigheden sterk varieert tussen een maximum gevangenisstraf van zes maanden tot een maximum opsluiting van tien jaar. Hoewel elke vorm van het opzettelijk toebrengen van verwondingen uiterst laakbaar is, dringt zich bij de beoordeling van de “ernst” van het misdrijf een beoordeling op van de precieze omstandigheden en draagwijdte van de handelingen. Hoe laakbaar dit ook is, een eenmalige slag kan niet op dezelfde wijze worden beoordeeld als een zware verminking. De Raad wijst er hierbij op dat de commissaris-generaal in zijn beslissing ook aangeeft dat het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel als een ernstig misdrijf wordt beschouwd, “te meer indien de schuldige handelde met voorbedachten rade en de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben of zware verminking tot gevolg hebben”. De Raad merkt op dat uit het hierboven weergegeven feitenrelaas van de strafrechtelijke antecenten in Duitsland blijkt dat verzoeker wel degelijk een significante agressie heeft vertoont. Het slachtoffer H. leed aanzienlijke pijn en een zwelling en roodheid op zijn rug. De verwondingen van de politieagenten waren volgens de rechtbank eerder gering. Anderzijds moet de Raad vaststellen dat nergens uit de stukken van het rechtsplegingsdossier blijkt dat er in hoofde van verzoeker sprake was van verzwarende omstandigheden. Er kan op grond van de stukken niet worden vastgesteld dat er bij één van de slachtoffers sprake was van ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid of erger. De commissaris-generaal geeft aan dat meerdere van de gehanteerde methoden (opzettelijk schoppen, duwen en slaan) een grote kans op ernstige verwondingen met zich meebrengen, doch de Raad is van oordeel dat het in eerste instantie relevant is om te beoordelen wat de daadwerkelijk veroorzaakte verwondingen zijn in plaats van wat de handelingen mogelijks – doch niet reëel – tot gevolg hadden kunnen hebben. De Raad benadrukt andermaal dat verzoeker uiterst laakbaar gedag heeft getoond en dit tijdens twee afzonderlijk en kort op elkaar volgende gewelddadige incidenten. Rekening houdend met het geschetste feitenrelaas, acht de Raad deze geweldplegingen op zich onvoldoende om enkel en alleen op basis van de aard van het gepleegde feit en de schade die is teweeggebracht, te oordelen dat er sprake is van een “ernstig misdrijf”.
Wat betreft de straftoemeting herhaalt de Raad dat verzoeker door de rechtbank van München werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en drie maanden. Zoals de commissaris-generaal in zijn beslissing heeft weergegeven, voorziet de Belgische strafwetgever voor het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel in een maximum gevangenisstraf van zes maanden tot een maximum opsluiting van tien jaar, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak. Hoewel ruimer dan de hierboven voorziene gevangenisstraf van zes maanden, dient te worden vastgesteld dat de door verzoeker opgelopen straf in het spectrum van de mogelijke vrijheidsberovingen, eerder neigt naar een *lagere bestraffing. De Raad moet verder vaststellen dat uit de beoordeling van de commissaris-generaal blijkt dat laatstgenoemde zich uitsluitend heeft laten leiden door de elementen die bij de straftoemeting door de rechtbank van München in verzoekers nadeel werden weerhouden, zonder hierbij tevens oog te hebben voor de elementen die in verzoekers voordeel werden weerhouden. De commissaris-generaal beklemtoont de elementen in verzoekers nadeel, zoals deze reeds hierboven in punt 4.2.2. werden weergegeven, doch laat de tevens in voormeld punt 4.2.2. weergegeven elementen die in verzoekers voordeel werden afgewogen volstrekt onbesproken. Er kan dan ook niet blijken dat de commissaris-generaal deze elementen – waaronder verzoekers jonge leeftijd, zijn volledige bekentenissen, zijn spijtbetuigingen aan de slachtoffers, de ongeremdheid vanwege de alocholintoxicatie en het volgen van een integratiecursus, evenals het behalen van het middelbare diploma om een basis te leggen voor zijn toekomst – mee in zijn beoordeling heeft betrokken, laat staan dat kan blijken welk gewicht de commissaris-generaal hieraan heeft gehecht. De verzachtende omstandigheden zijn nochtans relevant en dienen in overweging te worden genomen bij de beoordeling van de ernst van het misdrijf (zie EASO Practical guide on Exclusion for Serious (Non-Political) Crimes, december 2021, p. 18). Hoewel de Raad de commissaris-generaal kan volgen dat het feit dat verzoeker zijn straf reeds heeft uitgezeten in Duitsland niet verhindert dat hij wordt uitgesloten, dient evenwel te worden benadrukt dat deze omstandigheid wel degelijk relevant is. De Raad wijst naar de hierboven weergegeven rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin werd vastgesteld dat het begrip “ernstig” een beoordelingselement toevoegt dat in de loop van de tijd kan evolueren en dat het feit dat iemand op een bepaald moment in zijn leven ernstige feiten pleegt, er niet noodzakelijkerwijs toe mag leiden dat die persoon voor altijd onwaardig wordt bevonden voor internationale bescherming, zonder dat met name rekening wordt gehouden met zijn eventuele rehabilitatie (HvJ C-63/24). De Raad neemt derhalve, naast de hierboven beschreven verzachtende omstandigheden, de omstandigheid dat verzoeker zijn straf in Duitsland heeft uitgezeten, tevens mee in overweging.
De Raad stelt vast dat de commissaris-generaal zijn beoordeling van het ernstig karakter van het misdrijf tevens heeft laten leiden door de beslissing van de Duitse asielinstanties die verzoekers verzoek om internationale bescherming hebben afgesloten met een beslissing tot kennelijk ongegrond, waardoor hij werd uitgesloten van zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus. Hoewel een uitsluitingsbeslissing door een andere Europese lidstaat een relevant element kan zijn, kan ook niet worden voorbijgegaan aan de hierboven beschreven omstandigheid dat het feit dat iemand op een bepaald moment in zijn leven ernstige feiten pleegt, er niet noodzakelijkerwijs toe mag leiden dat die persoon voor altijd onwaardig wordt bevonden voor internationale bescherming. De Raad wijst erop dat er intussen reeds meer dan vijf jaar is verstreken, sinds de beslissing van de Duitse asielinstanties en dat verzoeker intussen zijn straf heeft uitgezeten. Daarenboven dient de Raad vast te stellen dat de Duitse asielbeslissing, die zich in het rechtsplegingsdossier bevindt, voor wat betreft de uitsluiting van de vluchtelingenstatus, is gestoeld op opmerkelijke motieven. Zo wijst de Raad erop dat de feiten waarvoor verzoeker in Duitsland werd uitgesloten zich ook op het Duitse grondgebied, aldus het land van toevlucht, hebben voorgedaan. Bovendien stoelt de uitsluitingsbeslissing op het motief dat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde omdat hij is veroordeeld voor één of meer opzettelijke misdrijven tegen het leven, de fysieke integriteit, seksuele zelfbeschikking, eigendom of verzeker tegen handhavers, eigendom of voor verzeker tegen ordehandhavers en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf of een jeugdstraf van ten minste een jaar, op voorwaarde dat het strafbare feit is gepleegd met geweld, met gebruik van bedreiging van lijf en leden of met sluwheid of een strafbaar feit is volgens § 377 van het Duitse wetboek van strafrecht. Uit de uitsluitingsbeslissing blijkt verder dat deze in belangrijke mate werd gesteund op de vaststelling dat een concrete dreiging van herhaling van vergelijkbare ernstige feiten voorligt. Hoewel in de beslissing van de Duitse asielinstanties meermaals het woord uitsluiting wordt gebruikt, blijkt uit nazicht dat deze beslissing voor wat betreft de vluchtelingenstatus is gesteund op §30 (4) van de Asylgesetz, dat stelt dat een asielaanvraag als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen indien aan de vereisten van artikel 60 (8) zin 3 van de Aufenthgesetz is voldaan. Laatstgenoemde bepaling voorziet in de uitzondering op het verbod van non-refoulement indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap omdat hij wettelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf of jeugddetentie van ten minste een jaar wegens een of meer opzettelijke misdrijven tegen het leven, de lichamelijke integriteit, de seksuele zelfbeschikking, het vermogen of wegens verzet tegen ordehandhavers, mits het misdrijf is gepleegd met geweld, onder bedreiging met gevaar voor leven of ledematen of door misleiding, of een misdrijf is in de zin van artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht. Dit lijkt veeleer te corresponderen met de mogelijkheid om geen status te verlenen aan een vluchteling, conform artikel 14, lid 5 van de richtlijn 2011/95/EU en niet met de mogelijkheid om iemand uit te sluiten van de vluchtelingenstatus, conform artikel 12 van voormelde richtlijn. Volledigheidshalve wijst de Raad erop dat zowel §30 (4) van de Asylgesetz als artikel 60 (8) van de Aufenthgesetz thans zijn opgeheven en vervangen door andersluidende bepalingen.
Het geheel van de voorgaande omstandigheden in acht genomen, is de Raad van oordeel dat de strafrechtelijke antecedenten van verzoeker in Duitsland – zoals deze door de commissaris-generaal in de bestreden beslissing werden opgenomen, waarbij de aanvaringen van verzoeker met de jeugdrechtbank niet in de beslissing zijn opgenomen en deze ook niet in hun volledigheid in het rechtsplegingsdossier zijn opgenomen – niet volstaan om vast te stellen dat verzoeker een “ernstig misdrijf” heeft gepleegd en op grond hiervan kon worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus conform de artikelen 55/2 en 55/4 van de Vreemdelingenwet. De Raad komt tot deze beoordeling na een volledig onderzoek van de specifieke omstandigheden van het concrete geval en onderstreept hierbij dat (i) verzoeker weliswaar twee afzonderlijk en kort op elkaar volgende gewelddadige incidenten heeft gepleegd, hetgeen uiterst laakbaar is, doch dat uit de feitenomstandigheden niet zonder meer blijkt dat deze feiten de vereiste ernst bereiken, rekening houdend met de vereiste restrictieve interpretatie van de uitsluitingsgrond die slechts in uitzonderlijke situaties wordt toegepast; (ii) verzoeker werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en drie maanden, wat niet gering is, doch zich tevens aan de lagere kant van het spectrum van mogelijke straffen bevindt; (iii) de Duitse strafrechter verschillende verzachtende omstandigheden heeft weerhouden, waaronder verzoekers jonge leeftijd ten tijde van het plegen van de feiten, het gebrek aan contact met zijn familie, het handelen onder alcoholintoxicatie, de volledige bekentenissen en spijtbetuigingen, het volgen van diverse cursussen tijdens zijn gevangenschap om een basis te leggen voor zijn toekomst, die door de Raad tevens in acht worden genomen; (iv) verzoeker zijn straf in Duitsland heeft uitgezeten en het begrip “ernstig” in de loop van de tijd kan evolueren, evenals (v) de uitsluitingsbeslissing in Duitsland, waaraan de commissaris-generaal een behoorlijk gewicht hecht, is gestoeld op opmerkelijke motieven.
De Raad wijst erop dat de commissaris-generaal in zijn beslissing geen uitspraak heeft gedaan over het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade, waarbij hij stelt dat er geen verplichting is om de voorwaarden tot insluiting van de internationale bescherming na te gaan alvorens te besluiten tot de uitsluiting van deze bescherming.
Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, met inachtneming van de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting en gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het beschermingsverzoek van verzoeker niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep. Het ontbreekt de Raad aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.