Samenvatting
De Raad stelt vast, na bestudering van het administratieve dossier, en met name van bijlage nr. 8 bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning van verzoeker, dat DVZ op de hoogte was van de e-mailuitwisseling tussen de voogd van verzoeker en Caritas International, betreffende de duale opleiding van verzoeker. In deze e-mail van 16 oktober 2023 wordt vermeld dat “Na het 18e levensjaar: Indien een leerling met een buitenlandse nationaliteit een duaal opleidingscontract bij een aanbieder van duale opleidingen is aangegaan (vóór zijn 18e levensjaar), mag hij zijn opleiding voortzetten zodra hij meerderjarig is, zelfs als zijn verblijfsvergunning niet meer geldig is, op voorwaarde natuurlijk dat er geen sprake is van contractbreuk. In de bijlage vindt u een handig informatieblad met meer details”. In dit informatieblad, dat ook bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning is gevoegd, wordt verduidelijkt dat “de verblijfsvergunning iets anders is dan de werkvergunning. Met deze vergunning kan de buitenlandse onderdaan legaal in België werken. Het gaat om een officieel document waarmee hij in het kader van een arbeidsovereenkomst in België werkzaamheden mag verrichten, ongeacht de duur van het dienstverband. Deze voorwaarde voor het verkrijgen van de arbeidsvergunning geldt niet voor onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, Liechtenstein en Zwitserland. Bepaalde categorieën werknemers zijn eveneens vrijgesteld van deze arbeidsvergunning; dit geldt met name voor minderjarige of meerderjarige leerlingen met een buitenlandse nationaliteit. [...] Wanneer de leerling, zonder verblijfsvergunning, vóór de leeftijd van 18 jaar wordt aangenomen op basis van een duale opleidingsovereenkomst, kan hij zijn opleiding voortzetten tot na zijn 18e, ondanks het feit dat hij niet in het bezit is van een verblijfsvergunning. De leerling blijft namelijk ook na zijn 18e profiteren van deze dubbele vrijstelling (verblijfsvergunning en werkvergunning)”.
Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt echter dat de verweerder zich heeft beperkt tot de stereotiepe vaststelling dat “wat betreft het feit dat de betrokkene naast zijn opleiding werkt en dat bovendien het om een beroep met een tekort aan arbeidskrachten gaat, moet worden opgemerkt dat het sluiten van een arbeidsovereenkomst of het uitoefenen van een beroepsactiviteit geen aanwijzing is voor een onmogelijkheid of enige moeilijkheid om naar het land van herkomst terug te keren teneinde daar de vereiste formaliteiten te vervullen (RvV 13 december 2021, nr. 265 349). Om namelijk te kunnen stellen dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst een uitzonderlijke omstandigheid vormt in de zin van artikel 9bis van de bovengenoemde wet van 15 december 1980, moet deze overeenkomst op regelmatige wijze zijn gesloten en in overeenstemming zijn met een arbeidsvergunning die op regelmatige wijze is afgegeven door de bevoegde autoriteit (RvS 6 december 2002, nr. 113.416). Verzoeker is niet in het bezit van een arbeidsvergunning, “terwijl krachtens de geldende wetten en voorschriften de toekenning van een vergunning onontbeerlijk is om een beroepsactiviteit te kunnen uitoefenen. Aangezien de verzoeker niet in de situatie verkeert om legaal in België te werken, moet bijgevolg worden geconcludeerd dat het aangevoerde element in geen geval een belemmering of een bijzondere moeilijkheid vormt voor de terugkeer naar het land van herkomst” (RvV 19 januari 2023, nr. 283 576). Bovendien vormt een arbeidsovereenkomst op zich geen belemmering voor, noch maakt deze het bijzonder moeilijk om tijdelijk terug te keren naar het land van herkomst om daar verblijfsvergunning te regelen. Ten slotte is het, aangezien de verzoeker niet kan aantonen dat hij over de vereiste werkvergunning beschikt, in ieder geval ongepast om zich te beroepen op het risico dat hij zijn baan en daarmee zijn kans om te werken verliest in geval van terugkeer naar het land van herkomst om de vereiste verblijfsvergunning te verkrijgen. (…)
Er moet worden vastgesteld dat de betwiste motivering niet als toereikend kan worden beschouwd, aangezien de verweerder heeft nagelaten specifiek en nauwkeurig te reageren op de betreffende elementen, voor zover deze door de verzoeker als uitzonderlijke omstandigheden werden aangevoerd in het kader van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning.