Samenvatting
Allereerst moet in casu nagegaan worden of de Raad afdoende kan vaststellen dat verzoekers initiële verklaringen werkzaam te zijn geweest bij de Basij aannemelijk zijn of integendeel verzoeker aannemelijk maakt dat zijn oorspronkelijk vluchtrelaas waaronder zijn lidmaatschap bij de Basij verzonnen is op advies van een persoon die als tolk betrokken zou zijn geweest in zijn procedure om internationale bescherming.
Slechts wanneer kan vastgesteld worden dat het niet aannemelijk is dat verzoeker dit vluchtrelaas zou verzonnen hebben en het dus wel degelijk aannemelijk is dat hij lid was van de Basij zoals initieel verklaard, kan verder de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag beoordeeld worden.
De Raad wenst in dit kader vooreerst de essentiële rol van de tolk in de gehele procedure om internationale bescherming – doch in het bijzonder in het persoonlijk onderhoud, alwaar de verzoeker om internationale bescherming de mogelijkheid heeft om uitgebreid onder meer zijn reisroute, vluchtrelaas en persoonlijke omstandigheden uiteen te zetten – aan te stippen. De verklaringen die worden afgenomen bij het persoonlijk onderhoud betreffen één van de relevante elementen, zo niet sleutelelementen, zoals omschreven in artikel 48/6, §1 van de Vreemdelingenwet, op grond waarvan de commissaris-generaal een beoordeling maakt van het verzoek om internationale bescherming.
Hetgeen wordt verklaard tijdens een persoonlijk onderhoud heeft bijgevolg een bijzonder grote impact op de beoordeling en de uiteindelijke beslissing van het verzoek Ook in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (hierna: het koninklijk besluit van 11 juli 2003) wordt bij de bespreking van het artikel 15 van dit koninklijk besluit gewezen op het belang van de tussenkomende tolk. In het bijzonder wijst de Raad op de bespreking van het artikel 21 bij voormeld verslag bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003 waarin wordt bepaald dat alle tolken die voor het CGVS werken zich, tijdens het gehoor, neutraal moeten opstellen.
In artikel 4 van de bijzondere opmerkingen in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003 wordt verder gesteld dat de commissaris-generaal een gedragscode opstelt voor de tolken. Hierbij wijst de Raad op de “Gedragscode voor vertalers en tolken”, opgesteld door het CGVS, waarin de rechten en plichten van de asielvertaler-tolk worden beschreven. In deze gedragscode wordt reeds vooraf benadrukt dat de vertaler-tolk een “neutraal intermediair” is die de communicatie tussen de verzoeker en de asielmedewerker mogelijk maakt. In die interactie komt de taak van de tolk in essentie neer op het volledig, getrouw en neutraal overbrengen van de boodschap die door de verschillende partijen mondeling dan wel schriftelijk wordt gebracht en komt hij buiten deze zuivere tolk- en vertaalopdracht op generlei wijze tussenbeide in de afhandeling van het verzoek om internationale bescherming.
In dit verband kan ook dienstig worden verwezen naar de “Practical Guides and Tools” van de EUAA inzake “Interpretation in the Asylum Procedure” van februari 2024. Hierin wordt de onpartijdigheid en neutraliteit van de tolk toegelicht (p. 32-33). Er wordt gesteld dat de handhaving van deze onpartijdigheid en neutraliteit vereist dat de tolk geen partij kiest of zijn persoonlijke mening uit noch suggesties of advies geeft, dit zowel vóór, tijdens als na het tolken. Een tolk moet onpartijdig zijn en moet ook door anderen te allen tijde als onpartijdig worden gezien, zowel in houding als in gedrag. Wanneer de tolk meent dat een verzoeker hem niet langer als neutraal beschouwt of als de tolk het gevoel heeft dat hij emotioneel te nauw verbonden is met een bepaald onderwerp, moet dit gemeld worden. Dit geldt ook wanneer de tolk zich realiseert dat hij eerder contacten heeft gehad met een verzoeker of met andere personen die aanwezig waren tijdens het gehoor. In dergelijke gevallen wordt dan een nieuwe tolk aan de zaak toegewezen. Alle mogelijke belangenconflicten moeten door de tolk gemeld worden en hij moet zich ervan weerhouden een opdracht aan te nemen als hij dergelijke conflicten identificeert.
Ten slotte wijst de Raad op de artikelen 12, 15 en 17 van de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) (hierna: de Procedurerichtlijn) die het waarborgen van een goede communicatie bij het persoonlijk onderhoud en het nemen van zorgmaatregelen benadrukken zodat de verzoeker om internationale bescherming de gronden voor zijn verzoek uitvoerig kan uiteenzetten.
Zo luidt artikel 15 van de Procedurerichtlijn als volgt:
“(…)
2. Een persoonlijk onderhoud vindt plaats in zodanige omstandigheden dat een passende geheimhouding wordt gewaarborgd”.
3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Met het oog hierop dienen de lidstaten: (…)
c) een tolk te kiezen die in staat is de communicatie tussen de verzoeker en de persoon die het persoonlijke onderhoud afneemt goed te doen verlopen. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de taal waaraan de verzoeker de voorkeur geeft tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. Voor zover mogelijk, zorgen de lidstaten voor een tolk van hetzelfde geslacht indien de verzoeker daarom verzoekt, tenzij de beslissingsautoriteit redenen heeft om aan te nemen dat dit verzoek gebaseerd is op gronden die geen verband houden met moeilijkheden van de verzoeker om de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen te zetten;”.
De Raad stelt vast dat verweerder ter terechtzitting bevestigt dat verzoeker tijdens zijn persoonlijke onderhouden op 4 juni 2019 en 4 juli 2019 in het kader van zijn eerste beschermingsverzoek werd bijgestaan door de tolk met nummer 1319.
Verzoeker duidt deze tolk met nummer 1319 aan als de heer B. waarmee hij reeds vóór deze onderhouden in 2019 (privé)contacten zou hebben gehad. Volgens verzoeker stond deze tolk hem al bij in een vroeg stadium, namelijk sinds zijn aankomst in België in 2018 in het kader van een begeleiding door vzw Payoke als slachtoffer van mensenhandel alwaar deze tolk werkzaam was. Verzoeker betoogt dat de heer B. reeds in 2018 bij de politiediensten in zijn dossier als tolk is opgetreden en dat hij onder invloed en op advies van deze tolk, die als zijn eerste contactpersoon bij voormelde vzw fungeerde, onware verklaringen heeft afgelegd. Er wordt in het verzoekschrift uiteengezet dat deze tolk voor een bedrag van 2000 euro het volledig eerste asielrelaas van verzoeker zou hebben opgesteld en tevens zelf aanwezig was tijdens de twee eerste gehoren op het CGVS.
Verzoeker citeert verder in zijn verzoekschrift uit audiogesprekken waaruit volgens hem blijkt dat deze man hem heeft aangespoord en begeleid bij het opstellen van een beschermingsverzoek, waarvan de inhoud grotendeels niet overeenkomt met de waarheid. De audiogesprekken tonen volgens hem aan dat hij zich steeds ongemakkelijker voelde over de leugens in zijn relaas, maar tegelijkertijd de heer B. hem aanmoedigde om de aangebrachte verhalen niet te wijzigen, omdat dit zou leiden tot de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming. Bovendien stipt verzoeker aan dat uit de gesprekken blijkt dat deze man hem reeds in een vroeg stadium actief had geholpen bij het opstellen van zijn beschermingsverzoek. Er wordt in het verzoekschrift verder aangegeven dat uit de opname uiteindelijk blijkt dat verzoeker zelf nooit betrokken was bij de Basij en geen connectie heeft met de Iraanse overheid, maar integendeel aangaf een hekel te hebben aan het regime en zelfs geen moslim te zijn. Verzoeker stelt dat hij specifiek vermeldde dat hij niet bidt, alcohol consumeert en nooit enige steun voor het regime heeft gehad maar hij werd door de heer B. toch aangemoedigd om dit valse profiel in zijn verzoek op te nemen om zijn kans op erkenning te vergroten met vermelding dat er altijd papieren gefabriceerd konden worden, wat volgens hem de intentie benadrukt om documenten en bewijzen te manipuleren om zijn beschermingsverzoek sterker te doen lijken. De geciteerde gesprekken tonen naar mening van verzoeker aan hoe de heer B. een diepgaande invloed op hem uitoefende en hem aanstuurde om een verzoek in te dienen dat ver afweek van de realiteit. Verzoeker betoogt dat hij in dit proces emotioneel afhankelijk lijkt te zijn geworden van de heer B. en dat hij geen andere uitweg zag dan de adviezen op te volgen, ondanks zijn toenemend ongemak over de leugens in zijn beschermingsverzoek. Door deze beïnvloeding en manipulatie stelt verzoeker zich nu in een situatie te bevinden waarin hij wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus, hoewel hij in werkelijkheid geen verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud die hem is aangepraat en opgedrongen.
Voorts worden middels verzoekers aanvullende nota’s nog andere schermafbeeldingen met vrije vertalingen bijgebracht ter staving van de contacten met B. en diens gezin zoals onder meer gesprekken tussen verzoeker en de echtgenote van de tolk.
Verzoeker stelt in dit verband via Telegram een gesprek te hebben gevoerd met de echtgenote van de tolk en vervolgt dat de heer B. zeer goed zichtbaar is in een videofragment dat is doorgestuurd door de echtgenote van deze tolk. Verzoeker licht toe dat in het videofragment de tolk B. te zien is terwijl hij een beslissing van het CGVS inzake verzoeker vasthoudt en een laptop waarin hij zijn dossier raadpleegt. Verzoeker heeft ook nog een brief van 25 juni 2023 bijgebracht die werd overgemaakt aan het CGVS. Volgens verzoeker werd deze brief opgesteld door de heer B., die hem tevens had opgedragen het persoonlijk onderhoud van 12 juni 2023 met zijn mobiele telefoon op te nemen waarbij het volgens hem opmerkelijk is dat hij tijdens dit onderhoud niet werd bijgestaan door een advocaat. Verzoeker stelt overigens dat de opname van het gehoor volledig door de heer B. werd vertaald. Daarnaast meent verzoeker dat uit de middels zijn tweede aanvullende nota bijgebrachte stukken blijkt dat er sprake was van een financiële transactie. Verzoeker verklaart dat hij ongeveer drie maanden in de woning van de tolk van het CGVS heeft gewerkt (waaronder stucen, het plaatsen van een plafond en schilderen) in ruil voor hulp bij de voorbereiding van zijn asieldossier.
Verzoeker is van oordeel overtuigende stukken te hebben aangebracht waardoor duidelijk is dat hij inderdaad beïnvloed is geweest en dus zich moest houden aan zijn initiële verklaringen, terwijl hij in realiteit niet voor de Basij heeft gewerkt.
In zijn nota merkt verweerder terecht op dat aan de door verzoeker geciteerde audiogesprekken/transcripties en toegevoegde schermafbeeldingen geen absolute bewijswaarde kan toegekend worden. Deze kunnen immers door mogelijke enscenering van omstandigheden of door manipulatie geen garanties bieden over de authenticiteit van wat er wordt gezegd. Daarbij komt dat er ook ongedateerde en slechts vrij vertaalde transcripties en schermafbeeldingen worden voorgelegd, waarvan ook niet zeker is hoe de gesprekspartners werden geïdentificeerd.
Gelet op de ingrijpende gevolgen van de bestreden beslissing voor verzoeker en gelet op het belang van een neutrale tolk, zoals supra uiteengezet, meent de Raad dat deze stukken in casu evenwel niet zomaar aan de kant kunnen worden geschoven. Bovendien houdt het gegeven dat aan deze stukken geen absolute bewijswaarde kan toegekend worden, niet in dat ze ook van elke bewijswaarde zijn ontdaan. Het geheel van de voorliggende elementen moet aldus worden meegenomen in een integrale beoordeling van de aannemelijkheid van verzoekers verklaringen over een beïnvloeding door een tolk die betrokken was in zijn beschermingsverzoek waardoor hij een onwaar vluchtrelaas zou hebben uiteengezet.
De Raad stipt in dit verband aan dat verzoeker middels stuk 6 toegevoegd aan zijn verzoekschrift tracht aan te tonen dat de heer B. hem sinds zijn aankomst in België in 2018 bijstond in het kader van een begeleiding door vzw Payoke, door reeds in 2018 bij de politiediensten in zijn dossier als tolk op te treden.
Gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid ter zake, is het de Raad echter niet mogelijk te verifiëren of de daarin voorkomende handtekening van de tolk toe te schrijven is aan de heer B., gekend bij het CGVS als tolk met nummer 1319. Verweerder bevestigt ter terechtzitting dat deze tolk aanwezig was op de eerste twee gehoren van verzoeker in het kader van zijn eerste beschermingsverzoek.
Dergelijke verificatie zou evenwel nuttig zijn om de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen aangaande de voorafgaande contacten tussen hem en de heer B. alsook de implicaties en gevolgen daarvan te kunnen beoordelen.
Hierbij dient tevens de vraag naar verzoekers kwetsbaarheid mee in rekening te worden gebracht bij de beoordeling of verzoeker, zoals hij opwerpt, ten tijde van zijn eerste beschermingsverzoek in 2018 vatbaar(der) was voor advies en beïnvloeding van de heer B.. Ondanks dat verweerder terecht aanstipt dat er in hoofde van verzoeker doorheen zijn beschermingsverzoeken geen bijzondere procedurele noden werden aangenomen, merkt de Raad evenwel op dat in casu niet betwist wordt dat verzoeker in het kader van een procedure voor slachtoffers van mensenhandel in 2018, waarbij hij werd bijgestaan door vzw Payoke, in het bezit werd gesteld van een A-kaart tot eind oktober 2020 (zie ook de stukken 2, 3, 4 toegevoegd aan het verzoekschrift). Bovendien zijn er in het administratief dossier stukken aanwezig ter staving van psychologische problemen waarbij melding wordt gemaakt van een zware depressie (administratief dossier, groene map met documenten in het kader van het tweede beschermingsverzoek, stuk 10 en de groene map met documenten in het kader van het vierde beschermingsverzoek, stuk 7). In deze omstandigheden kan verweerder dan ook niet gevolgd worden in zijn repliek dat niet zou kunnen vastgesteld worden dat verzoeker, die reeds bij zijn aankomst in België werd bijgestaan als slachtoffer van mensenhandel, zich in een dermate kwetsbare positie bevond dat hij vatbaar was voor slecht advies.
Daarenboven hecht de Raad ter zake tevens belang aan het gegeven dat verweerder er niet in slaagt opheldering te bieden inzake verzoekers betoog in zijn eerste aanvullende nota dat de heer B., waarover ook andere Iraanse asielzoekers hun ontevredenheid zouden hebben geuit, na een jarenlange samenwerking werd ontslagen als tolk bij het CGVS en er aldus niet meer werkzaam is. Verweerder bevestigt ter terechtzitting dat de samenwerking met deze tolk (met als laatste tolkprestatie in maart 2023) werd gestopt doch stelt geen kennis te hebben van de reden en stelt dat zelfs indien de reden gekend was deze niet kan meegedeeld worden omwille van privacy-redenen. Verweerder deelt wel mee dat er geen officiële klachten tegen deze tolk gekend zijn.
De Raad acht de reden van de stopzetting van de samenwerking met deze tolk B., wiens naam in huidig arrest overigens zoals gebruikelijk werd geanonimiseerd, niettemin een relevant gegeven in de huidige zaak alwaar de neutraliteit van deze tolk wordt betwist.
Daargelaten de vraag of verweerder de reden van de stopzetting van de samenwerking niet zou kunnen meedelen wegens privacy-redenen, moet echter worden vastgesteld dat verweerder heden niet uitdrukkelijk en eenduidig kan aangeven dat de stopzetting van deze samenwerking met de tolk B. aan andere factoren ligt dan aan de door verzoeker geuite betwisting van diens onafhankelijkheid.
Dit gegeven draagt volgens de Raad bij aan de conclusie dat in casu niet kan worden vastgesteld dat verzoeker tijdens zijn initiële persoonlijke onderhouden in het kader van zijn eerste beschermingsverzoek werd bijgestaan door een neutrale tolk. Gelet op het voorgaande zijn er immers niet te veronachtzamen indicaties dat er wel degelijk (reeds mogelijk voorafgaand aan deze onderhouden) (privé)contacten zijn geweest tussen verzoeker en deze tolk B. Tijdens deze onderhouden waarbij de tolk B. aanwezig was, kwam bovendien verzoekers tewerkstelling bij de Basij ter sprake, die nu van doorslaggevend belang blijkt.
Tot slot stipt de Raad aan dat waar in de bestreden beslissing en in de verweernota wordt aangegeven dat bij de bespreking van de door verzoeker neergelegde documenten werd gesteld dat de activiteiten voor de Basij niet worden betwijfeld, elders in de bestreden beslissing tevens wordt aangegeven dat zoals blijkt uit de toegevoegde landeninformatie, Iraanse stukken tegen betaling te verkrijgen zijn. Gelet op verzoekers betoog en de door hem neergelegde stukken waarin melding wordt gemaakt van valse stukken die tegen betaling werden verkregen en gelet op de door verweerder zelf aangehaalde landeninformatie, acht de Raad een nader onderzoek naar de authenticiteit van de eerder voorgelegde documenten inzake de Basij dan ook onontbeerlijk, hetgeen echter in casu ontbreekt. Zulk onderzoek naar de authenticiteit van de voorgelegde documenten vormt immers ook een relevant element in de beoordeling of verzoeker een onwaar vluchtrelaas heeft opgehangen op advies van de heer B..
Het gegeven dat verzoeker werd bijgestaan door een raadsman en pas na confrontatie met de huidige bestreden beslissing stelt in werkelijkheid helemaal geen lid te zijn geweest van de Basij hoewel hij volgens verweerder ruimschoots de tijd en gelegenheid heeft gehad om vertrouwelijk en professioneel advies te krijgen, kan geen afbreuk doen aan de conclusie dat in casu niet kan vastgesteld worden of verzoeker tijdens zijn initiële persoonlijke onderhouden in het kader van zijn eerste beschermingsverzoek werd bijgestaan door een onafhankelijke tolk in die zin dat niet kan uitgesloten worden dat deze onderhouden, die de basis vormen voor verzoekers volgens hem onware verklaringen werkzaam te zijn geweest bij de Basij, zijn aangetast zijn door een substantiële onregelmatigheid die niet meer te herstellen is.
Rekening houdend met wat voorafgaat, waarbij de Raad in deze stand van zaken niet kan uitsluiten dat de initiële persoonlijke onderhouden in het kader van verzoekers eerste beschermingsverzoek zijn aangetast zijn door een substantiële onregelmatigheid die niet meer te herstellen is, dringt er zich een grondiger onderzoek op naar de geloofwaardigheid van het initieel opgeworpen profiel van verzoeker als lid van de Basij.
Op basis van de elementen in het rechtsplegingsdossier kan de Raad, met inachtneming van de grenzen van een ondervraging ter terechtzitting en gelet op het ontbreken van verdere onderzoeksbevoegdheid, in deze stand van zaken het huidig beschermingsverzoek van verzoeker niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep. Het ontbreekt de Raad aldus aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen.
Bijgevolg moet de bestreden beslissing worden vernietigd overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet. Voorgaande vaststellingen volstaan om de overige in het verzoekschrift aangevoerde middelen en grieven niet verder te onderzoeken.