Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 63620/19 - 6-11-2025

Samenvatting

Dit verzoek gaat over de doeltreffendheid van de rechtsmiddelen die de verzoeker kon gebruiken om zijn vrees voor vervolging in zijn land van herkomst naar voren te brengen, in het kader van zijn derde verzoek om internationale bescherming. Het EHRM oordeelde echter dat het verzoek kennelijk ongegrond was en stelde dat het verzoek onontvankelijk was.

Feiten: herhaaldelijke afwijzing van asiel- en verblijfsaanvragen van Afghaanse verzoeker

De verzoeker diende tussen 2011 en 2015 drie aanvragen om internationale bescherming in België in, waarbij hij verklaarde Afghanistan te hebben verlaten uit vrees voor bedreigingen door de taliban. Zowel zijn eerste als tweede asielaanvraag werden definitief afgewezen omdat zijn relaas ongeloofwaardig werd bevonden. In dezelfde periode ontving hij meerdere bevelen om het grondgebied te verlaten, waartegen hij soms beroep instelde, maar niet altijd. Na een verblijf in Italië keerde hij terug naar België en diende hij in 2015 een derde asielaanvraag in. Deze werd in 2017 onontvankelijk verklaard omdat hij volgens de Belgische autoriteiten subsidiaire bescherming in Italië genoot.

De verzoeker betwistte dat hij nog bescherming in Italië had en legde medische attesten voor waaruit bleek dat hij daar geen toegang had tot de nodige zorg. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) verwierp zijn beroep in 2019. De Raad van State verklaarde het cassatieberoep tegen dit arrest onontvankelijk. In 2019 kreeg de verzoeker opnieuw een bevel om het grondgebied te verlaten, waarin opnieuw werd vermeld dat hij bescherming in Italië genoot. Tegen deze beslissing werd geen beroep ingesteld.

Beroepend op artikel 3 en 13 EVRM stelt de verzoeker dat de asielinstanties geen volledig, zorgvuldig en grondig onderzoek hebben verricht naar het risico op vervolging dat hij in zijn land van herkomst loopt. Hij stelt in het bijzonder dat zij verschillende essentiële elementen en documenten die hij had voorgelegd ter ondersteuning van zijn derde aanvraag om internationale bescherming, buiten beschouwing hebben gelaten.

Kennelijk ongegrond verzoek

De klacht van de verzoeker heeft uitsluitend betrekking op de effectiviteit van de procedure betreffende zijn derde aanvraag om internationale bescherming. De verzoeker stelt in het bijzonder dat het Commissariaat‑generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en vervolgens de RvV geen zorgvuldig en grondig onderzoek hebben verricht naar de door hem ingebrachte elementen, met name over zijn situatie in Italië en zijn geestelijke gezondheid.

Het EHRM oordeelt dat de klacht in feite neerkomt op een betwisting van de beoordeling door de asielinstanties van de elementen die tot de afwijzing van de derde asielaanvraag hebben geleid. Het EHRM benadrukt dat deze beoordeling voldoende gemotiveerd is en dat het niet zijn taak is om de feitelijke appreciatie van de nationale rechters te vervangen. De nationale autoriteiten zijn volgens het EHRM het best geplaatst om de geloofwaardigheid van de verzoeker te beoordelen, omdat zij hem persoonlijk hebben kunnen horen en observeren.

 

Het EHRM herinnert eraan dat bij afgewezen asielzoekers het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM in het land van bestemming niet voortvloeit uit de enkele afwijzing van hun asielaanvraag, maar uit hun eventuele verwijdering. Hieruit volgt dat in een systeem zoals dat van België, waarin de beoordeling van een asielaanvraag enerzijds en de eventuele verwijderingsmaatregel anderzijds in afzonderlijke procedures met afzonderlijke rechtsmiddelen worden behandeld, het effectieve rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM moet bestaan in de mogelijkheid om de verwijderingsmaatregel (hier: het bevel om het grondgebied te verlaten) aan te vechten wanneer een verdedigbare klacht onder artikel 3 EVRM wordt aangevoerd.

Het EHRM stelt vast dat de verzoeker de bevelen om het grondgebied te verlaten die hem werden betekend, niet naar behoren heeft aangevochten, hoewel hij de mogelijkheid had om een annulatie‑ en schorsingsberoep in te dienen. Voor zover hij klaagt over de beoordeling van zijn situatie in Italië, merkt het EHRM op dat hij zich de mogelijkheid van rechterlijke toetsing heeft ontnomen door geen beroep in te stellen tegen het bevel van 13 september 2019, waarin uitdrukkelijk stond dat hij internationale bescherming genoot in Italië en dus niet naar zijn land van herkomst zou worden uitgewezen.

Bovendien merkt het EHRM op, dat de verzoeker nog steeds, indien de uitvoering van de verwijderingsmaatregel imminent zou worden, een beroep in uiterst dringende noodzakelijkheid kan instellen bij de RvV, een beroep dat van rechtswege schorsende werking heeft. In dat geval moet de RvV een zorgvuldig en grondig onderzoek verrichten van alle elementen, in het bijzonder die welke erop wijzen dat de uitvoering van de verwijderingsmaatregel een risico op schending van artikel 3 EVRM zou meebrengen. De RvV moet daarbij rekening houden met de actuele gezondheidstoestand van de verzoeker.

De verzoeker voert wel aan dat de beschikbare rechtsmiddelen tegen verwijderingsmaatregelen niet effectief zijn, maar het EHRM benadrukt dat het niet in abstracto oordeelt en geen middelen kan beoordelen die niet zijn uitgeput. Aangezien de verzoeker nooit een annulatie- of schorsingsberoep tegen de uitwijzingsbevelen instelde en in zijn verzoekschrift evenmin klaagde over de ineffectiviteit van een beroep bij de RvV, kan het EHRM zijn stelling niet volgen.

Gelet op het voorgaande is het EHRM van oordeel dat, zelfs aangenomen dat de verzoeker een “verdedigbare” klacht onder artikel 3 EVRM heeft, zijn enige klacht over de ineffectiviteit van de rechtsmiddelen bij de asielinstanties kennelijk ongegrond is.