Samenvatting
In deze zaak veroordeelt het EHRM Polen wegens schending van de artikelen 5 en 8 EVRM, naar aanleiding van de onregelmatige detentie van een moeder en haar kind. De Poolse autoriteiten hadden niet de nodige maatregelen genomen om de duur van de detentie van het kind samen met de moeder tot het strikt noodzakelijke minimum te beperken, wat in strijd is met artikel 5 EVRM. Het EHRM kent de verzoekers 15.000 euro aan morele schadevergoeding toe.
Feiten: moeder met kind 9 maanden in detentie in Polen
De verzoekers in deze zaak zijn een moeder en haar kind. Het gaat om een Russische onderdaan die in 2017 vanuit Rusland via Turkije in Polen is aangekomen. De vrouw was zwanger van een Syrische man die zij in Turkije had ontmoet en vroeg daar asiel aan. Zij vreesde zowel vervolging in Rusland als bedreigingen vanwege de vader van het kind. Twee keer vluchtte zij vanuit Polen naar Duitsland, waar haar baby werd geboren, maar beide keren werd zij naar Polen teruggebracht.
Na de definitieve weigering van haar asielaanvraag in maart 2019, en na haar tweede mislukte poging om zich in Duitsland te vestigen, werd zij samen met haar 19 maanden oude kind opgesloten in een gesloten centrum in Biała Podlaska. De administratieve detentie werd vijfmaal verlengd, tot een totale duur van negen maanden. Al haar beroepen tegen deze verlengingen werden door de Poolse rechtbanken verworpen.
In december 2019 diende mevrouw S.G. bij het EHRM een verzoek om voorlopige maatregelen (Rule 39) in, met het oog op de opschorting van haar verwijdering naar Rusland. Op 4 december werd dit verzoek door het EHRM afgewezen, en de dag nadien werd zij met haar kind naar Rusland teruggestuurd.
De verzoekers stellen dat hun detentie onder meer in strijd was met artikel 5, lid 1, onder f) (recht op vrijheid en veiligheid), en artikel 8 (recht op privé‑ en gezinsleven) van het EVRM.
Schending artikel 5 EVRM: alternatieve maatregelen niet overwogen
Volgens de vaste rechtspraak van het EHRM moet de opsluiting van jonge kinderen in dergelijke inrichtingen in beginsel worden vermeden en slechts voor de kortst mogelijke duur en onder passende omstandigheden worden toegestaan. Doorslaggevend is dat de autoriteiten verplicht zijn om alternatieve, minder ingrijpende maatregelen te overwegen alvorens tot detentie over te gaan. De detentie van negen maanden overschrijdt ruimschoots de duur die in eerdere zaken reeds tot een schending van het EVRM heeft geleid (bijvoorbeeld acht dagen voor een baby van vier maanden en een kind van tweeënhalf jaar; negen dagen voor een baby van vijftien maanden; achttien dagen voor een kind van vier jaar).
Bovendien merkt het EHRM op dat de Poolse autoriteiten onvoldoende rekening hebben gehouden met de kwetsbare situatie van de moeder en haar kind, met name de psychologische attesten waaruit bleek dat zij leed aan een posttraumatische stressstoornis en dat de detentie een risico vormde voor de gezondheid van zowel moeder als kind. Deze attesten wezen op de noodzaak van een onmiddellijke vrijlating in oktober 2019. De autoriteiten hebben daarnaast het aanbod van een derde om hen in diens privéwoning onderdak te bieden genegeerd. Volgens het EHRM vormden de eerdere onderduikpogingen en het gebrek aan financiële middelen geen toereikende redenen om een detentie van negen maanden te rechtvaardigen (§ 25).
Het EHRM concludeert dan ook dat artikel 5 EVRM is geschonden.
Schending artikel 8 EVRM: onevenredige detentie schendt ook het privé-en gezinsleven
Het EHRM acht de detentie ook onevenredig in het licht van artikel 8 EVRM (recht op privé-en gezinsleven) om dezelfde redenen: (i) de duur van de detentie van 9 maanden, (ii) de kwetsbare situatie van beide verzoekers, (iii) de zeer jonge leeftijd van het kind, en (iv) het kennelijke gebrek aan zorgvuldige afweging van alternatieven voor de detentie. Volgens het EHRM waren er onvoldoende redenen voor de detentie, zelfs in het licht van het risico dat de familie zou onderduiken.
Artikel 8 EVRM is dus ook geschonden.
Het EHRM kent het volledige verzochte bedrag van 15.000 euro aan schadevergoeding toe, gelet op zowel de langdurige detentie als het feit dat een zeer jong kind daarbij betrokken was.