Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 330.107 - 16-07-2025

Samenvatting

Uit de meest recente landeninformatie kan worden besloten dat in de regio Amhara sprake is van ernstige veiligheidsincidenten als gevolg van een gewapend conflict en dat dit gepaard gaat met willekeurig geweld waarbij ook burgerslachtoffers vallen.

Vervolgens stelt zich de vraag, in overeenstemming met wat in het arrest Elgafaji van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt gesteld, of er in hoofde van verzoeker dermate persoonlijke omstandigheden zijn die tot gevolg hebben dat hij een groter risico loopt dan andere burgers op een ernstige bedreiging van haar leven of persoon als gevolg van het willekeurig geweld. Ook al heeft het Hof van Justitie de aard van de “persoonlijke omstandigheden” niet gepreciseerd, kunnen deze omstandigheden niettemin, in het licht van het beginsel van autonomie van begrippen, zoals bevestigd door het Hof, alsook in het licht van de noodzaak aan een uitlegging die nuttig effect geeft aan de wet, niet van dezelfde aard zijn als de elementen die aan bod komen in het kader van een beoordeling van de vervolgingsvrees in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, of het reëel risico in de zin van artikel 48/4, § 2, sub a) en b) van de Vreemdelingenwet. De persoonlijke omstandigheden van de verzoeker in de zin van artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet zijn dus omstandigheden die tot gevolg hebben dat hij, in vergelijking met een ander persoon, een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en dit zelfs wanneer het geweld hem niet meer dan een ander persoon specifiek viseert. Dit kan, bijvoorbeeld, het geval zijn wanneer een verhoogde kwetsbaarheid, een verscherpte lokale vatbaarheid of een precaire socio-economische situatie tot gevolg heeft dat een verzoeker een groter risico loopt dan andere burgers op een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon als gevolg van het willekeurig geweld.

Waar verzoekers voorgehouden profiel als dusdanig niet als een dergelijke persoonlijke omstandigheid kan worden beschouwd, zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld, werd er hierboven reeds op gewezen dat voor verzoeker na het vernietigingsarrest van de Raad bijzondere procedurele noden werden aangenomen omwille van zijn medische problemen als gevolg van een ongeval. Verzoeker legt ter terechtzitting door middel van een aanvullende nota medische documenten neer. Uit de brief van dr. L. van de Service de Neurochirurgie Eurospine van 15 oktober 2024 blijkt dat verzoeker na een val werd geopereerd wegens een wervelfractuur. Bij verzoeker werd een korset geplaatst. In een brief van dezelfde arts van 17 september 2024 wordt een verbetering van de pijn aan de rug vastgesteld maar aanhoudende urologische problemen en wordt gesteld dat indien de pijn aan de onderrug verslechtert of aanhoudt een verwijdering van het korset zou kunnen overwogen worden binnen twee jaar. In een brief van 27 februari 2025 van Dr. L. wordt melding gemaakt van het aanwakkeren van pijn aan de onderrug  in geval verzoeker een gebogen positie aanneemt en wordt een scan in het vooruitzicht gesteld indien de pijn aanzienlijk wordt. De brief van dr. R.D. van 16 mei 2025 vermeldt dat verzoeker een wervelfractuur heeft doorgemaakt die een myelopathie veroorzaakt. In het medisch getuigschrift van 17 juni 2025 wordt gesteld dat verzoeker medicatie krijgt, dat stopzetting van de behandeling tot een verergering van de rugpijn kan leiden en dat een CT-scan dient te gebeuren eind 2025. De Raad stelt ter terechtzitting vast dat verzoeker nog steeds een orthopedisch korset draagt en zeer moeilijk stapt.

In het licht van de voormelde veiligheidssituatie in verzoekers regio van herkomst, Amhara, stelt de Raad vast dat verzoekers huidige gezondheidstoestand hem, in vergelijking met een andere persoon, een verhoogd risico doet lopen om ingeval van terugkeer naar de regio Amhara het slachtoffer te worden van het willekeurig geweld aldaar in de zin van artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet. 

Gelet op de in de voormelde stukken beschreven medische toestand van verzoeker en zijn actueel sterk verminderde mobiliteit als gevolg van een ongeval kan immers worden aangenomen dat zijn huidige medische problemen kunnen leiden tot een verminderde mogelijkheid voor verzoeker om zich te onttrekken aan de risico’s verbonden aan het in Amhara aanwezige willekeurige geweld.

Waar in de bestreden beslissing gewag gemaakt wordt van de mogelijkheid voor verzoeker om zich in de hoofdstad Addis Abeba te vestigen en in zoverre hiermee wordt geïnsinueerd dat deze stad voor verzoeker een binnenlands beschermingsalternatief is, kan de commissaris-generaal hierin niet worden bijgetreden. Uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij slechts één keer in Addis Abeba is geweest zodat geenszins kan aan genomen worden dat hij een zekere vertrouwdheid heeft met de stad, zoals ten onrechte wordt gesteld in de bestreden beslissing. Bovendien herinnert de Raad eraan dat voor de toepassing van het binnenlands beschermingsalternatief de bewijslast bij de commissaris-generaal rust en dat moet voldaan zijn aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 48/5 § 3 van de Vreemdelingenwet waaronder de vereiste dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat verzoeker er zich vestigt. In casu is de Raad van oordeel dat, gelet op verzoekers huidige medische situatie en zijn gebrek aan enig netwerk in Addis Abeba, van verzoeker niet redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij zich in Addis Abeba vestigt.

Bijgevolg toont verzoeker aan dat er in zijn hoofde zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij een terugkeer naar Ethiopië een reëel risico zou lopen op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet.