Beroep bij RvV tegen overdrachtsbesluit (Dublin/AMMR)
In het kort
Als België niet bevoegd is om jouw verzoek om internationale bescherming te behandelen, moet je naar de bevoegde lidstaat gaan, en krijg je een overdrachtsbesluit. Het beroep tegen die beslissing is onderworpen aan bijzondere regels. Er geldt een beroepstermijn van 10 dagen en de RvV heeft een beperkte bevoegdheid.
Procedure van het beroep bij de RvV tegen een overdrachtsbesluit (versneld)
Je hebt een overdrachtsbesluit gekregen, in het kader van de AMMR-Verordening, of in het kader van de vroegere Dublin-Verordening.
Een gewoon beroep tegen een overdrachtsbeslissing is mogelijk als er (nog) geen beslissing is genomen tot vasthouding of tot een gedwongen verwijdering, en je hebt één van de volgende beslissingen gekregen:
Een beslissing tot overname door een andere Lidstaat
Een beslissing tot overdracht naar een andere Lidstaat
Een beslissing tot verlenging van de termijn van overdracht (oude regeling)
Als er een beslissing tot vasthouding of gedwongen verwijdering genomen wordt, wordt het beroep verder afgehandeld volgens de urgente procedure.
Als er voor 12 juni 2026 een beslissing tot verlenging van de termijn van overdracht is genomen, kan je tegen deze beslissing enkel vóór 12 juni 2026 een beroep indienen. Na 12 juni 2026 vervalt het rechtsmiddel tegen die beslissing.
Voor de andere beroepen gelden de algemene overgangsbepalingen:
De nieuwe beroepstermijnen van de RvV-Wet gelden voor beroepen die ingediend worden tegen een beslissing die genomen is vanaf 12 juni 2026. Het is de datum van de beslissing die telt. Het is dus mogelijk dat de kennisgeving van een beslissing na 12 juni 2026 gebeurt, maar dat de beroepstermijnen van de vorige wet nog van toepassing zijn.
De andere bepalingen van de nieuwe RvV-wet zijn van toepassing op alle nieuwe beroepen, ingediend vanaf 12 juni 2026.
De nieuwe RVV-wet is ook van toepassing op hangende beroepen, maar dan wel met enkele overgangsbepalingen:
- Een beroep waarvoor op datum van 12 juni 2026 al een zitting is vastgesteld , wordt nog behandeld volgens de oude regels.
- Ook als de rechter op datum van 12 juni 2026 al een beschikking genomen heeft om zonder zitting verder te gaan, of via de louter schriftelijke procedure, blijven die oude bepalingen gelden .
- Een beroep dat op 12 juni 2026 nog niet op de rol is gezet, wordt nog volgens de oude regels op de rol gezet. Wie net voor 12 juni een verzoekschrift indient, moet dus niet plots voldoen aan de voorwaarden voor het verzoekschrift in de nieuwe regeling.
- Voor een beroep dat al ingeschreven is op de rol, maar door de griffie nog niet in staat is gesteld, blijven ook enkele oude artikels van toepassing, om de in staat stelling te vlot te kunnen verderzetten. Het doorsturen van het verzoekschrift aan DVZ of CGVS, het overmaken van het administratief dossier en van de nota’s of memorie, en het op de hoogte brengen van de minister. Vanaf de in staat stelling gelden ook voor deze beroepen dan de nieuwe regels.
Bij een overdrachtsbesluit in het kader van de AMMR-Verordening heb je het recht om te blijven tijdens de termijn van 10 dagen waarin beroep ingediend kan worden.
Daarna, tijdens de beroepsprocedure zelf, is er geen automatisch recht om te blijven.
Bij het indienen van je verzoekschrift kan je wel bij voorlopige maatregel de schorsing vragen van het overdrachtsbesluit. De RvV beslist binnen één maand na indiening over deze schorsing.
Zolang de RVV geen beslissing heeft genomen over de voorlopige maatregel, behoud je nog altijd het recht om te blijven. Een weigering van de schorsing moet gemotiveerd worden.
Als de RvV een schorsing toestaat, heeft dat tot gevolg dat:
- de termijn voor vrijwillig vertrek waarin artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn voorziet, niet ingaat;
- er geen beslissing tot bewaring (vasthouding) genomen mag worden op grond van artikel 15 van Terugkeerrichtlijn;
Voor beroepen ingediend worden tegen een overdrachtsbesluit dat genomen is na 12 juni 2026, is de termijn 10 dagen.
Voor beroepen ingediend tegen een beslissing die genomen is voor 12 juni 2026 geldt nog de beroepstermijn 30 dagen.
Het is de datum van de beslissing die telt. Het is dus mogelijk dat de kennisgeving van een beslissing na 12 juni gebeurt, maar dat de beroepstermijnen toch 30 dagen is.
De termijn begint te lopen vanaf de dag die volgt op het moment van de vermoedelijke kennisname. Een daadwerkelijke kennisname is dus niet vereist (RvS nr. 262.533 van 3 maart 2025).
De termijn loopt vanaf:
- de dag zelf van de verzending in geval van verzending bij fax of mail of andere wijze, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijs;
- de eerste dag die volgt op de dag waarop de brief werd aangeboden op de woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats, bij ter post aangetekende brief, met ontvangstbewijs;
- De eerste dag die volgt op de tweede werkdag nadat de brief aan de postdiensten overhandigd wordt bij aangetekende brief of bij gewone brief, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
- de eerste dag die volgt op de afgifte of op de weigering van ontvangst.
Een elektronische kennisgeving wordt geacht de dag zelf gedaan te zijn. Een advocaat wordt dus geacht op het einde van de dag steeds de mailbox te controleren.
De vervaldag is in de termijn begrepen. Zondagen en feestdagen worden meegeteld in de termijn. De termijn loopt af om middernacht van de vervaldag. Is die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
De beroepstermijnen zijn van openbare orde en moeten strikt worden toegepast. De RvV mag een laattijdig ingesteld beroep dus niet behandelen (RvS nr. 132.671 van 18 juni 2004). Alleen bij werkelijke overmacht kan een beroep buiten de beroepstermijn worden ingediend (RvV 340.227 van 28 januari 2026). Als een gebeurtenis buiten je wil een tijdig beroep onmogelijk maakte, en als je al het mogelijke hebt gedaan om het voorval te vermijden, kan je je op overmacht beroepen. De gebeurtenis moet dus onvoorzienbaar en onoverkomelijk zijn.
In geval van elektronische verzending is het bijvoorbeeld mogelijk om overmacht door technische problemen aan te tonen (RvS 262.533 van 3 maart 2025). De term “elektronische tijdsstempel” is afgestemd op Verordening nr. 910/2014 van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt.
De beslissing waartegen je in beroep gaat moet over jezelf gaan en je moet er persoonlijk door benadeeld worden. Als iemand zelf niet bekwaam is om een verzoek in te dienen, moet de wettelijke vertegenwoordiger het beroep instellen. Er is geen wettig belang wanneer het belang niet ‘beschermenswaardig’ is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het doel van het beroep is om een duidelijk onwettige situatie in stand te houden. Bij twijfel moet je motiveren dat je je belang nog steeds behoudt, zoniet kan de RVV het beroep onontvankelijk verklaren.
De RvV mag de voorwaarde van belang niet zodanig streng toepassen dat deze toepassing een hogere rechtsnorm in gevaar zou kunnen brengen. Zoals het gelijkheidsbeginsel, het recht op toegang tot de rechter of het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.
De RvV heeft bij beroepen tegen een overdrachtsbesluit een aparte, beperkte bevoegdheid.
De RVV mag enkel beoordelen of:
- de betrokken persoon is onderworpen aan een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
- er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de verordening (EU) 2024/1351 (AMMR);
- inbreuk is gemaakt op de bepalingen met betrekking tot niet-begeleide minderjarigen, gezinsleden en gezinsprocedures, en met betrekking tot afhankelijke personen, in de Verordening (EU) 2024/1351 (AMMR), in het geval iemand uit een andere lidstaat wordt overgenomen.
De RvV plaatst zich op het moment van de behandeling in beroep (ex nunc). Dat geldt zowel voor de nieuwe beslissingen genomen in toepassing van het AMMR, maar ook voor de oude beslissing genomen in toepassing van de Dublin III regeling.
Het gevolg van een vernietiging is dat de bestreden beslissing uit de rechtsorde verdwijnt en nooit bestaan heeft. Maar de RvV kan in de annulatieprocedure geen verblijfsrecht toekennen. Na een nietigverklaring moet de DVZ een nieuwe beslissing nemen die in de plaats komt van de vorige. De RvV kan de DVZ niet dwingen om een bepaalde beslissing te nemen. De DVZ moet wel rekening houden met de inhoud van het arrest van de RvV maar ook met nieuwe, relevante elementen die dateren van na de eerste beslissing.
Bij een procedure in het kader van een verzoek om internationale bescherming moet het verzoekschrift opgesteld worden in de taal van de bestreden beslissing. Als de bestreden beslissing zelf niet in de juiste taal is opgesteld, is een verzoekschrift in een andere niet onontvankelijk.
Stukken die toegevoegd worden, moeten opgesteld zijn in één van de drie landstalen of in het Engels. Anders moet er een voor eensluidend verklaarde vertaling bij.
De RVV behandelt de beroepen in de taal van de bestreden beslissing. Als er meerdere beslissingen zijn, in verschillende talen, kiest de RVV zelf de taal van de behandeling. Er is ook een tweetalige kamer voorzien voor twee verknochte zaken in verschillende talen. Als er in éénzelfde beslissing verschillende talen werden gebruikt, wordt de taal gekozen van het gebied waar de beslissing is betekend.
Als de beslissing in zowel het Nederlands als het Frans is opgesteld, en betekend is in het Brussels gewest, dan mag de verzoeker de taal kiezen. De taal van het verzoekschrift wordt dan de taal van de procedure. Dat geldt ook voor beslissingen in verschillende talen waarbij het onduidelijk is waar ze betekend zijn of gelokaliseerd kunnen worden.
Een beslissing in de Duitse taal wordt in principe in het Duits behandeld, maar het is mogelijk dat een anderstalige rechter de zaak behandeld door de stukken te vertalen. De briefwisseling met de partijen is dan wel in het Duits.
Je moet in je verzoekschrift een woonplaats in België kiezen. Meestal is dit het adres van de advocaat, of van jezelf. Als het adres van iemand anders is dan van jezelf of van de advocaat, moet je de naam vermelden van de persoon die de post in ontvangst zal nemen. Je kan de woonplaats wijzigen door dit uitdrukkelijk te melden, met vermelding van het rolnummer, en voor elke zaak apart. De RvV doet alle kennisgevingen op dat adres.
Als je geen woonstkeuze doet, maar in het verzoekschrift wel een adres in België vermeldt, dan wordt dat adres beschouwt als adres van woonstkeuze.
Het verzoekschrift en stukken worden in principe elektronisch verzonden. Als je ze fysiek neerlegt, moet elke procedureakte (verzoekschrift, nota, e.d.) vergezeld zijn van twee eensluidend verklaarde kopies.
Je moet de stukken nummeren, elektronisch in aparte bijlagen toevoegen, en er moet een inventaris bij.
Een verzoekschrift moet alle elementen bevatten vermeld in artikel 2.16 RVV-Wet, en moet de stukken bevatten vermeld in artikel 2.17 RVV-Wet. Een afschrift van de bestreden beslissing is altijd vereist, behalve als het gaat om een impliciete weigeringsbeslissing. Als je wordt vastgehouden, moet je het bewijs van vasthouding toevoegen worden, omdat dit van belang is om vast te stellen of het om een urgente procedure gaat.
De lengte van het verzoekschrift wordt beperkt tot een maximum van 25 pagina’s, tenzij een samenvatting van maximum 10 pagina’s wordt toegevoegd. Als je verwijst naar het audiogehoor, moeten de referenties worden toegevoegd.
Als het verslag van het interview niet correct is genoteerd, moet je op basis van de tijdsaanduiding in het audioverslag aanduiden welk stuk niet correct is genoteerd, en aanduiden waarom dat van belang is voor de beslissing.
Een verzoekschrift is nietig als het geen naam, woonplaats in België of bestreden beslissing vernoemt. Het verzoekschrift wordt wel op de rol gezet als telefoonnummer of mail ontbreken, als er niet expliciet woonstkeuze gedaan wordt, geen tolk gevraagd wordt, geen samenhang met een ander dossier wordt gemeld of motivering ontbreekt bij een verzoek om vertrouwelijkheid. De zaak wordt niet op de rol gezet als de juiste handtekening ontbreekt, als een vereist stuk ontbreekt, of als het bewijs van vrijstelling van rolrecht ontbreekt. In dat geval wordt het enkel op de rol gezet als je binnen de 8 dagen (of 5 dagen bij versnelde procedure) de ontbrekende zaken toevoegt.
De RVV bepaalt zelf wie de verweerder is. Eventueel kan in het verzoekschrift aangeven wie mogelijk het best geplaatst is als verweerder.
Doorgaans is de verweerder de opsteller van de bestreden beslissing, maar het kan ook een andere partij zijn. Bij de annulatie van een visum door de grenspolitie kan de RVV bijvoorbeeld de Dienst Vreemdelingenzaken aanduiden als verweerder, omdat die dienst de opdracht gaf tot de annulatie. Ook bij beslissingen door de gemeente in procedures van het verblijfsrecht kan soms de Dienst Vreemdelingenzaken best geplaatst zijn om als verweerder op te treden, omdat zij de gemeente bepaalde instructies hebben gegeven.
Het beroep tegen een overdrachtsbesluit wordt in versnelde procedure behandeld.
Je betaalt als verzoeker (tenzij met recht op pro-deo) een rolrecht van 251 euro. Bij collectieve verzoekschriften betaalt elke verzoeker het rolrecht onafhankelijk van hoeveel beslissingen je bestrijdt.
Als verzoekende partij schiet je de kosten voor van het rolrecht en van de bijdrage voor het begrotingsfonds tweedelijnsbijstand.
De vrijstelling van de kosten wordt toegekend aan:
- wie bijstand ontvangt van een openbaar centrum dat maatschappelijke hulp;
- wie opgesloten, gevangengehouden of vastgehouden wordt;
- wie minderjarige is;
- wie juridische tweedelijnsbijstand krijgt in de zin van artikel 508/1 van het Gerechtelijk Wetboek (‘Pro Deo’);
- wie over onvoldoende financiële middelen beschikt en daarvoor de bewijzen voorlegt.
Je moet de vrijstelling vragen bij het verzoekschrift en bewijzen waarom je hiervoor in aanmerking komt. Als er bewijsstukken ontbreken, zal de RvV je hiervan op de hoogte brengen en krijg je vijf dagen de tijd om het verzoekschrift te regulariseren. Als je het rolrecht betaalt, kan je wel nog altijd tot op de zitting het bewijs van vrijstelling voorleggen en vragen het rolrecht terug te betalen.
Een beroep tegen een overdrachtsbesluit verloopt altijd volgens de versnelde procedure.
De versnelde procedure verloopt net zoals de gewone, maar met kortere termijnen. Als een regularisatie nodig is van het verzoekschrift, moet dat binnen 5 dagen gebeuren.
De procedure verloopt in principe volledig schriftelijk, tenzij de RVV een verhoor op zitting nodig vindt. Als je zelf denkt dat het nodig is om gehoord te worden, moet je daarvoor de redenen aangeven.
De RVV communiceert de termijnen voor toegang tot het dossier, de nota’s en een eventuele tussenkomst. In de versnelde procedure heeft DVZ 8 dagen om het dossier en eventueel een nota over te maken.
Als er toch een zitting plaatsvindt, wordt de datum van de zitting minstens drie weken tevoren gemeld. Je kan tot vijf dagen voor de zitting een pleitnota indienen om te antwoorden op de nota van de verweerder.
Als er geen zitting plaatsvindt, loopt er vanaf de beschikking tot schriftelijke behandeling een termijn van 5 dagen om een pleitnota in te dienen, en heeft de tegenpartij eveneens vijf dagen om te antwoorden. Daarna worden de debatten gesloten.
De RVV doet bij een beroep tegen een overdrachtsbesluit uitspraak binnen de twee maanden vanaf de inschrijving op de rol.