Urgent beroep bij RvV tegen overdrachtsbesluit (Dublin/AMMR)

In het kort

Een beroep tegen een overdrachtsbesluit in het kader van de AMMR is onderworpen aan bijzondere regels. Er geldt een beroepstermijn van 10 dagen en de RvV heeft een beperkte bevoegdheid. Als het overdrachtsbelsuit gepaard gaat met vasthouding of met maatregelen voor een gedwongen verwijdering, dan moet je de procedure voor een urgent beroep volgen.

Procedure van urgent beroep tegen een overdrachtsbesluit

Je moet de urgente procedure volgen als je een beroep instelt tegen één van de volgende beslissing:

  • Een beslissing tot overname door een andere Lidstaat, en er is ook een beslissing genomen tot vasthouding of gedwongen verwijdering;
  • Een beslissing tot overdracht naar een andere Lidstaat en er is ook een beslissing genomen tot vasthouding of gedwongen verwijdering;
  • Een beslissing tot verlenging van de termijn van overdracht (oude regeling)

Als er tijdens een hangend beroep tegen een overdrachtsbesluit een beslissing tot vasthouding of gedwongen verwijdering genomen wordt, wordt het beroep verder afgehandeld volgens de urgente procedure.

De urgente procedure vervangt de vroegere procedure in uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN). Zo goed als alle situaties die voor 12 juni 2026 behandeld werden in UDN, of in een versnelde procedure in volle rechtsmacht, worden vanaf 12 juni in de urgente procedure behandeld.

Bij de urgente beroepen is de nieuwe RVV-wet enkel van toepassing op beroepen die ingediend werden op of na 12 juni 2026.

Een vordering tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) op grond van artikel 39/82, § 4 Verblijfswet, of een vorderingen tot voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid op grond van artikel 39/85 Verblijfswet wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen die tevoren van toepassing waren.

In dat geval blijven ook de oude bepalingen over de opheffing of intrekking van de schorsing of voorlopige maatregelen gelden.

Als de RvV overgaat tot schorsing van een beslissing, of tot voorlopige maatregelen, volgt er daarna nog een behandeling ten gronde. Ook dan blijven de oude bepalingen gelden over de verzoeken tot voortzetting.

Een nieuwe beroepstermijn geldt pas bij beslissingen die genomen zijn na 12 juni 2026. Het is de datum van de beslissing die telt. Het is dus mogelijk dat de kennisgeving van een beslissing na 12 juni gebeurt, maar dat de beroepstermijnen van de vorige wet nog van toepassing zijn.

Voor de urgente procedure tegen een overdrachtsbesluit geldt na 12 juni 2026 een beroepstermijn van 10 dagen, ook bij vasthouding, en ook als het om een herhaald besluit gaat. Voor een besluit dat genomen wordt voor 12 juni 2026 kan in die situaties nog een beroepstermijn gelden van 5 dagen (zie infra over de beroepstermijn).

Bij een overdrachtsbesluit in het kader van de AMMR-Verordening heb je het recht om te blijven tijdens de termijn van 10 dagen waarin beroep ingediend kan worden.

Bij het indienen van je verzoekschrift kan je bij voorlopige maatregel de schorsing vragen van het overdrachtsbesluit. De RVV beslist binnen één maand na indiening over de opschorting. Zolang de RVV geen beslissing heeft genomen over de voorlopige maatregel, is er een recht om te blijven.

Een weigering van de schorsing moet gemotiveerd worden.

De schorsing heeft tot gevolg dat:

  • de termijn voor vrijwillig vertrek waarin artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn voorziet, niet ingaat;
  • er geen beslissing tot bewaring (vasthouding) genomen mag worden op grond van artikel 15 van Terugkeerrichtlijn;

Voor beroepen ingediend worden tegen een overdrachtsbeslissing die genomen is na 12 juni 2026, is de termijn 10 dagen.

Let op: voor beroepen ingediend tegen een beslissing van voor 12 juni 2026, die een tweede beslissing tot verwijdering of terugdrijving is, is er een beroepstermijn van vijf dagen voor iemand die vastgehouden wordt. Het is de datum van de beslissing die telt. Het is dus mogelijk dat de kennisgeving van een beslissing na 12 juni 2026 gebeurt, maar dat de beroepstermijnen nog 5 dagen is.

De termijn begint te lopen vanaf de dag die volgt op het moment van de vermoedelijke kennisname. Een daadwerkelijke kennisname is dus niet vereist (RvS nr. 262.533 van 3 maart 2025).

De termijn loopt vanaf: 

  • de dag zelf van de verzending in geval van verzending bij fax of mail of andere wijze, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijs;
  • de eerste dag die volgt op de dag waarop de brief werd aangeboden op de woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats, bij ter post aangetekende brief, met ontvangstbewijs;
  • De eerste dag die volgt op de tweede werkdag nadat de brief aan de postdiensten overhandigd wordt bij aangetekende brief of bij gewone brief, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
  • de eerste dag die volgt op de afgifte of op de weigering van ontvangst.

Een elektronische kennisgeving wordt geacht de dag zelf gedaan te zijn. Een advocaat wordt dus geacht op het einde van de dag steeds de mailbox te controleren.

De vervaldag is in de termijn begrepen. Zondagen en feestdagen worden meegeteld in de termijn. De termijn loopt af om middernacht van de vervaldag. Is die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

De beroepstermijnen zijn van openbare orde en moeten strikt worden toegepast. De RvV mag een laattijdig ingesteld beroep dus niet behandelen (RvS nr. 132.671 van 18 juni 2004). Alleen bij werkelijke overmacht kan een beroep buiten de beroepstermijn worden ingediend (RvV 340.227 van 28 januari 2026). Als een gebeurtenis buiten je wil een tijdig beroep onmogelijk maakte, en als je al het mogelijke hebt gedaan om het voorval te vermijden, kan je je op overmacht beroepen. De gebeurtenis moet dus onvoorzienbaar en onoverkomelijk zijn.

In geval van elektronische verzending is het bijvoorbeeld mogelijk om overmacht door technische problemen aan te tonen (RvS 262.533 van 3 maart 2025). De term “elektronische tijdsstempel” is afgestemd op Verordening nr. 910/2014 van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt.

De beslissing waartegen je in beroep gaat moet over jezelf gaan en je moet er persoonlijk door benadeeld worden. Als iemand zelf niet bekwaam is om een verzoek in te dienen, moet de wettelijke vertegenwoordiger het beroep instellen. Er is geen wettig belang wanneer het belang niet ‘beschermenswaardig’ is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het doel van het beroep is om een duidelijk onwettige situatie in stand te houden. Bij twijfel moet je motiveren dat je je belang nog steeds behoudt, zoniet kan de RVV het beroep onontvankelijk verklaren

De RvV mag de voorwaarde van belang niet zodanig streng toepassen dat deze toepassing een hogere rechtsnorm in gevaar zou kunnen brengen. Zoals het gelijkheidsbeginsel, het recht op toegang tot de rechter of het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.

De RvV heeft bij beroepen tegen een overdrachtsbesluit een aparte, beperkte bevoegdheid.

De RVV mag enkel beoordelen of:

  • de betrokken persoon is onderworpen aan een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
  • er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de verordening (EU) 2024/1351 (AMMR);
  • inbreuk is gemaakt op de bepalingen met betrekking tot niet-begeleide minderjarigen, gezinsleden en gezinsprocedures, en met betrekking tot afhankelijke personen, in de Verordening (EU) 2024/1351 (AMMR), in het geval iemand uit een andere lidstaat wordt overgenomen.

De RvV plaatst zich op het moment van de behandeling in beroep (ex nunc). Dat geldt zowel voor de nieuwe beslissingen genomen in toepassing van het AMMR, maar ook voor de oude beslissing genomen in toepassing van de Dublin III regeling.

Het gevolg van een vernietiging is dat de bestreden beslissing uit de rechtsorde verdwijnt en nooit bestaan heeft. Maar de RvV kan in de annulatieprocedure geen verblijfsrecht toekennen. Na een nietigverklaring moet de DVZ een nieuwe beslissing nemen die in de plaats komt van de vorige. De RvV kan de DVZ niet dwingen om een bepaalde beslissing te nemen. De DVZ moet wel rekening houden met de inhoud van het arrest van de RvV maar ook met nieuwe, relevante elementen die dateren van na de eerste beslissing.

Bij een procedure in het kader van een verzoek om internationale bescherming moet het verzoekschrift opgesteld worden in de taal van de bestreden beslissing. Als de bestreden beslissing zelf niet in de juiste taal is opgesteld, is een verzoekschrift in een andere niet onontvankelijk.

Stukken die toegevoegd worden, moeten opgesteld zijn in één van de drie landstalen of in het Engels. Anders moet er een voor eensluidend verklaarde vertaling bij.

De RVV behandelt de beroepen in de taal van de bestreden beslissing. Als er meerdere beslissingen zijn, in verschillende talen, kiest de RVV zelf de taal van de behandeling. Er is ook een tweetalige kamer voorzien voor twee verknochte zaken in verschillende talen. Als er in éénzelfde beslissing verschillende talen werden gebruikt, wordt de taal gekozen van het gebied waar de beslissing is betekend.

Als de beslissing in zowel het Nederlands als het Frans is opgesteld, en betekend is in het Brussels gewest, dan mag de verzoeker de taal kiezen. De taal van het verzoekschrift wordt dan de taal van de procedure. Dat geldt ook voor beslissingen in verschillende talen waarbij het onduidelijk is waar ze betekend zijn of gelokaliseerd kunnen worden.

Een beslissing in de Duitse taal wordt in principe in het Duits behandeld, maar het is mogelijk dat een anderstalige rechter de zaak behandeld door de stukken te vertalen. De briefwisseling met de partijen is dan wel in het Duits.

Je moet in je verzoekschrift een woonplaats in België kiezen. Meestal is dit het adres van de advocaat, of van jezelf. Als het adres van iemand anders is dan van jezelf of van de advocaat, moet je de naam vermelden van de persoon die de post in ontvangst zal nemen. Je kan de woonplaats wijzigen door dit uitdrukkelijk te melden, met vermelding van het rolnummer, en voor elke zaak apart. De RvV doet alle kennisgevingen op dat adres.

Als je geen woonstkeuze doet, maar in het verzoekschrift wel een adres in België vermeldt, dan wordt dat adres beschouwt als adres van woonstkeuze.

In de titel van het verzoekschrift moet “urgente procedure” staan.

In de urgente procedure kan je het verzoekschrift en de stukken alleen maar elektronisch verzenden, of eventueel per bode bij de griffie (enkel tijdens de openingsuren).

Bij een urgente procedure verblijft de verzoeker meestal in een gesloten centrum. In dat geval kan het verzoekschrift worden ingediend door afgifte ervan, ter plaatse, aan de directeur van de strafinrichting of van het gesloten centrum, of aan een van hun gemachtigden. In dat geval moeten er wel twee kopies van het verzoekschrift worden toegevoegd.

Een verzoekschrift voor de urgente procedure moet aan een aantal minimumvoorwaarden voldoen, en wordt dan onmiddellijk op de rol ingeschreven. Deze minimumvoorwaarden zijn:

  • het is in een landstaal opgesteld;
  • het bevat de vermelding van de naam;
  • het bevat de vermelding van de woonplaats in België of woonplaatskeuze;
  • het bevat de vermelding van de bestreden beslissing;
  • het afschrift van de bestreden beslissing is toegevoegd.

Als het afschrift van de bestreden beslissing ontbreekt, vraagt de griffier aan de verzoekende partij om de bestreden beslissing over te maken, en wordt het beroep tot dan niet op de rol gezet. Een afschrift van de bestreden beslissing is niet vereist als het gaat om een impliciete weigeringsbeslissing.

Als één van de andere elementen ontbreekt is het verzoekschrift absoluut nietig. In de urgente procedure is er ook de tijd niet om ontbrekende elementen te regulariseren.

Daarnaast gelden voorwaarden voor het verzoekschrift, die vervuld moeten zijn ten laatste op het ogenblik van de terechtzitting.

  • de ondertekening van het verzoekschrift;
  • de toevoeging van de inventaris van de stukken en de overeenkomstige nummering van de stukken zelf;
  • de samenvatting van de feiten en middelen, als het verzoekschrift meer dan 25 pagina’s telt.

Als deze voorwaarden niet vervuld zijn op het moment van de zitting, wordt het beroep op dat moment alsnog van de rol geschrapt, en wordt het niet behandeld.

Idealiter bevat het verzoekschrift alle elementen genoemd in artikel 2.16 RVV-Wet en alle stukken genoemd in artikel 2.17 RVV-Wet. Zo moet bij vasthouding in principe een bewijs van de vasthouding toegevoegd worden, maar het ontbreken leidt niet tot nietigheid. Stukken moeten genummerd zijn, in aparte bijlagen worden toegevoegd, en er moet een inventaris bij.  De lengte van het verzoekschrift wordt beperkt tot een maximum van 25 pagina’s, tenzij een samenvatting van maximum 10 pagina’s wordt toegevoegd. Als je verwijst naar het audiogehoor, moeten de referenties worden toegevoegd.

De RVV bepaalt zelf wie de verweerder is. Eventueel kan in het verzoekschrift aangeven wie mogelijk het best geplaatst is als verweerder.

Doorgaans is de verweerder de opsteller van de bestreden beslissing, maar het kan ook een andere partij zijn. Bij de annulatie van een visum door de grenspolitie kan de RVV bijvoorbeeld de Dienst Vreemdelingenzaken aanduiden als verweerder, omdat die dienst de opdracht gaf tot de annulatie. Ook bij beslissingen door de gemeente in procedures van het verblijfsrecht kan soms de Dienst Vreemdelingenzaken best geplaatst zijn om als verweerder op te treden, omdat zij de gemeente bepaalde instructies hebben gegeven.

In de meeste gevallen zal in de urgente procedure geen rolrecht of bijdrage aan het begrotingsfonds voor tweedelijnsbijstand betaald moeten worden omdat de meeste verzoekers in deze procedure worden vastgehouden en dus vrijgesteld zijn.

In theorie is het mogelijk dat er geen vasthouding is, en er wel een rolrecht betaald moet worden. In dat geval moet het bewijs van betaling ten laatste op de zitting worden voorgelegd. Anders wordt het beroep van de rol geschrapt, en wordt de zaak niet behandeld.

Meer info over het rolrecht:

Je betaalt als verzoeker (tenzij met recht op pro-deo) een rolrecht van 251 euro. Bij collectieve verzoekschriften betaalt elke verzoeker het rolrecht onafhankelijk van hoeveel beslissingen je bestrijdt.

Als verzoekende partij schiet je zowel de kosten voor van het rolrecht, als van de bijdrage voor het begrotingsfonds tweedelijnsbijstand.

De vrijstelling van de kosten wordt toegekend aan:

  • wie bijstand ontvangt van een openbaar centrum dat maatschappelijke hulp;
  • wie opgesloten, gevangengehouden of vastgehouden wordt;
  • wie minderjarige is;
  • wie juridische tweedelijnsbijstand krijgt in de zin van artikel 508/1 van het Gerechtelijk Wetboek (‘Pro Deo’);
  • wie over onvoldoende financiële middelen beschikt en daarvoor de bewijzen voorlegt.

Je moet de vrijstelling vragen bij het verzoekschrift en bewijzen waarom je hiervoor in aanmerking komt. Als er bewijsstukken ontbreken, zal de RvV je hiervan op de hoogte brengen en krijg je acht dagen de tijd om het verzoekschrift te regulariseren. Als je het rolrecht betaalt, kan je wel nog altijd tot op de zitting het bewijs van vrijstelling voorleggen en vragen het rolrecht terug te betalen. 

Een urgente procedure verloopt ongeveer zoals een versnelde procedure bij de beroepen in volle rechtsmacht, met enkele aanpassingen.

De schriftelijke procedure is bij een urgente procedure niet van toepassing.

De griffier stuurt ten laatste binnen de werkdag na de ontvangst van het beroep, een afschrift van het verzoekschrift aan de verwerende partij. Binnen drie werkdagen na die kennisgeving moet de verwerende partij het administratief dossier neerleggen. Als de verwerende partij een nota wil toevoegen, moet dat ook binnen die termijn van drie werkdagen.

Als een snelle uitspraak nodig is, kan de griffier een kortere termijn opleggen.

Tegelijkertijd stuurt de rechter, ook ten laatste binnen de werkdag na de ontvangst van het beroep, een beschikking naar de partijen met een oproeping ter zitting. Samenhangende zaken worden meteen mee opgeroepen en behandeld. In de beschikking worden de gevolgen vermeld als de partijen niet verschijnen, en ook de samenstelling van de zetel.

Als er hangende zaken zijn in de gewone of versnelde procedure die mee behandeld worden, mogen partijen een pleitnota indienen. De rechter bepaalt dan tot wanneer deze nota mag worden ingediend.

In de urgente procedure mogen nieuwe elementen worden voorgelegd. Stukken die niet tevoren overgemaakt konden worden, mogen nog ter zitting worden voorgelegd.

De RVV kan een noodarrest uitspreken om een geplande verwijdering toe te staan, als het beroep manifest onterecht is ingediend en alleen om de geplande vlucht te annuleren.

De bepalingen van de crisisprocedure (artikel 2.46 RvV-Wet) kunnen wel van toepassing zijn.