In het kort

De Verordening (EU) 2024/1349 tot instelling van een terugkeergrensprocedure, van het Migratie-en Asielpact, creëert een aparte 'terugkeergrensprocedure' voor verzoekers om internationale bescherming die afgewezen zijn in het kader van de asielgrensprocedure. De procedure houdt onder andere in dat de vreemdeling gedurende een periode van 12 weken vastgehouden moet blijven aan de grens, zodat de lidstaat de terugkeer kan organiseren. Deze verordening is rechtstreeks van toepassing op verzoekers die hun asielaanvraag hebben ingediend na 12 juni 2026.

Voorwaarden voor de toepassing van de terugkeergrensprocedure

De procedure is van toepassing op asielaanvragen die ingediend werden na 12 juni 2026, en afgewezen zijn met toepassing van de asielgrensprocedure

Verordening (EU) 2024/1349 van het Migratie- en Asielpact creëert een aparte “terugkeergrensprocedure” voor verzoekers om internationale bescherming die afgewezen zijn in het kader van de asielgrensprocedure.

De verordening is van toepassing op personen die hun verzoek om internationale bescherming hebben ingediend vanaf 12 juni 2026. De regeling is dus niet van toepassing op asielzoekers die voor 12 juni 2026 een verzoek hebben ingediend, en daarna een beslissing kregen.

De regeling is enkel van toepassing op wie een beslissing kreeg in het kader van de "asielgrensprocedure". Als je een verzoek om internationale bescherming indient aan de grens, mag dit verzoek behandeld worden terwijl je aan de grens of in een transitzone moet blijven.

Die mogelijkheid wordt systematisch toegepast voor wie geen recht heeft om België wettig binnen te komen en een verzoek indient aan de grens. Voor verzoeken ingediend vanaf 12 juni 2026 bepaalt de Procedureverordening dat de grensprocedure verplicht moet worden toegepast bij fraude, gevaar voor openbare orde en bij aanvragen met een beschermingsgraad van minder dan 20%

Als je in het kader van die asielgrensprocedure een definitieve weigering krijgt, moet de terugkeergrensprocedure worden gevolgd.

De terugkeergrensprocedure kan dus niet worden toegepast:

  • als het niet mogelijk is om één van de beslissingen te nemen van onontvankelijkheid, of een beslissing ten gronde in de versnelde procedure. In dat geval beslist het CGVS dat verder onderzoek noodzakelijk is, en die beslissing geeft recht op toegang tot het grondgebied;
  • als DVZ zelf beslist om de grensprocedure stop te zetten op grond van artikel 53.2 c) APR, bijvoorbeeld omdat de procedurele waarborgen niet gegarandeerd kunnen worden, ook als het verzoek al bij CGVS in behandeling is;
  • als de asielgrensprocedure zelf langer duurt dan de maximum termijn van 12 weken. In dat geval wordt je toegelaten tot het grondgebied, maar kan je wel nog steeds vastgehouden worden in een gesloten centrum.

Verloop van de terugkeergrensprocedure

De terugkeergrensprocedureverordening verplicht tot een nieuwe periode van weigering van toegang. Je kan na de periode van de asielgrensprocedure dus gedurende (opnieuw) 12 weken worden vastgehouden.

De nieuwe periode van 12 weken gaat in vanaf het moment dat er geen recht (meer) is om te blijven. Dat is:

  • vanaf het verloop van de beroepstermijn van 5 dagen na de beslissing van het CGVS, als je geen beroep indient of in je beroep niet vraagt om te blijven;
  • vanaf de beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat je geen recht hebt om te blijven tijdens het beroep, als je beroep hebt ingediend en gevraagd hebt om te blijven;
  • vanaf de definitieve weigering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Gedurende de 12 weken van de terugkeergrensprocedure moet de terugkeer georganiseerd worden.

Als terugkeer onmiddellijk mogelijk is, dan moet je gedwongen uitgezet worden.

Je hebt het recht om een termijn voor vrijwillig vertrek te vragen van maximum 15 dagen. Die termijn voor vrijwillig vertrek biedt enkel uitstel, zonder recht op binnenkomst. DVZ mag die termijn enkel weigeren als:  

  • er een risico op onderduiken bestaat;
  • je verzoek in het kader van de asielgrensprocedure als kennelijk ongegrond is afgewezen;
  • als je een risico vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Het vragen van een termijn om vrijwillig vertrek kan belangrijk zijn, omdat er bij afwezigheid van deze termijn een inreisverbod opgelegd moet worden.

Tijdens deze periode moet het vasthouding voldoen aan de minimumnormen voor opvang voorzien in artikel 19 en 20 van Richtlijn (EU) 2024/1346.

Bij het organiseren van de terugkeer zijn de meeste bepalingen van de terugkeerrichtlijn van toepassing. Het gaat om de volgende bepalingen:

  • De definities, onder meer van het begrip 'kwetsbaar persoon';
  • Voorrang voor gunstigere bepalingen, bijvoorbeeld uit bilaterale verdragen;
  • Aandacht voor het van het kind, het gezinsleven, de gezondheid en respect voor het beginsel van non-refoulement;
  • Afgifte van een terugkeerbesluit, behalve bij discretionaire toekenning van een verblijf humanitaire redenen, of in afwachting van een hangende procedure, of als betrokkene onmiddellijk naar een andere lidstaat gaat;
  • De toekenning van een periode voor vrijwillig vertrek in het kader van school of sociale banden, met het opleggen van maatregelen van toezicht;
  • De organisatie van de verwijdering, eventueel met uitstel;
  • De garantie van opvang bij aankomst voor de niet-begeleide minderjarige;
  • Het opleggen van een inreisverbod bij gebrek aan vrijwillig vertrek;
  • Vereiste van schriftelijke afgifte van terugkeerbesluit, inreisverbod en beslissing tot gedwongen verwijdering, met motivering en infromatie over de beroepsmiddelen, mondeling of schriftelijk vertaald op verzoek;
  • Garanties voor de eenheid van gezin, medische zorgen en basisonderwijs tijdens een eventueel uitstel van vertrek;
  • Noodzaak van herhaalde rechterlijke toetsing bij de vasthouding en van vrijlating bij gebrek aan redelijk vooruitzicht op verwijdering;
  • Waarborgen met betrekking tot de omstandigheden van vasthouding;

Al deze bepalingen moesten in het kader van de Terugkeerrichtlijn worden omgezet naar nationaal recht, maar gelden nu in het kader van de terugkeerverordening als bepalingen met rechtstreekse werking.

Bij afloop van de terugkeergrensprocedure

Na afloop van de procedure moet een terugkeer georganiseerd worden volgens de terugkeerrichtlijn

Na afloop van de procedure moeten er nog steeds stappen gezet worden voor terugkeer, maar dan met toepassing van de terugkeerrichtlijn.

Als je na afloop van de termijn van 12 weken een recht hebt om te blijven, in het kader van een procedure, moet je in principe wel toegelaten worden tot het grondgebied. Enkel in twee situaties mag dan mag nog steeds toegang geweigerd worden:

  • bij een herhaald volgend verzoek;
  • bij een volgend verzoek van als je voorafgaand aan het vorig verzoek al in vasthouding zat.

De vasthouding moet wel te verantwoorden zijn in het licht van artikel 15, lid 4 van de terugkeerrichtlijn, in de zin dat er op dat moment nog steeds een redelijk vooruitzicht op verwijdering moet zijn (zie hoger).