Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 32694/23 - 26-03-2026

Samenvatting

Deze zaak betreft D.M., een Afghaanse man van Hazara-afkomst die sinds 2015 in Zweden verblijft. In 2023 ontving hij van de Zweedse autoriteiten de beslissing dat hij zou worden uitgezet naar Afghanistan, terwijl hij stelde daarbij risico te lopen op mishandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Het EHRM oordeelde dat de algemene mensenrechtensituatie in Afghanistan en de situatie van Hazara's op zichzelf niet ernstig genoeg zijn om elke uitzetting automatisch in strijd te achten met artikel 3 EVRM, maar dat de Zweedse autoriteiten hebben nagelaten een reeks individuele risicoverhogende factoren bij de verzoeker zoals zijn etniciteit, herkomstgebied, langdurig verblijf in Zweden, "verwestering", enz. in onderlinge samenhang te beoordelen. Samen leveren deze factoren wél een reëel risico op vernederende en onmenselijke behandeling op, waardoor een uitzetting van D.M. naar Afghanistan volgens het EHRM een schending van artikel 3 EVRM zou vormen.

Feiten: Uitzettingsbeslissing van Hazara-asielzoeker naar Afghanistan

D.M., een Afghaanse man van Hazara-afkomst, kwam in 2015 als tiener naar Zweden en vroeg meteen asiel aan. Hij doorliep twee asielprocedures, die in 2018 en 2023 werden afgesloten zonder dat hij een verblijfsvergunning of asiel kreeg. Tijdens deze procedures, waarin hij werd bijgestaan door een advocaat, voerde hij aan dat hij bij terugkeer gevaar zou lopen vanwege de algemene onveilige situatie in Afghanistan, zijn Hazara-etniciteit, zijn herkomstregio Mazar-e Sharif (provincie Balkh), zijn bekering tot het christendom (of op zijn minst zijn afkeer van de islam), en, sinds 2022, zijn "verwestering" na bijna tien jaar verblijf in Zweden.

De Zweedse migratiedienst en migratierechtbank oordeelden in 2023 dat er geen internationale beschermingsbehoefte was: de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan en de positie van Hazara's rechtvaardigden op zichzelf geen bescherming. D.M. had zijn bekering niet aannemelijk gemaakt als oprechte overtuiging noch zijn voornemen om als christen te leven bij terugkeer, en ook "verwesterde" personen liepen doorgaans geen relevant risico. D.M. had niet aangetoond persoonlijk gevaar te lopen. Tot slot achtten de autoriteiten hem in staat zich aan te passen aan de gewoonten en gebruiken van zijn land van herkomst.

De verzoeker voerde aan dat een uitzetting naar Afghanistan hem zou blootstellen aan een reëel risico op mishandeling, strijdig met artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke of vernederende behandeling).

Schending van artikel 3 EVRM op basis van cumulatieve risicobeoordeling bij een uitzetting van Hazara-verzoeker naar Afghanistan

Het EHRM herhaalt dat staten wel het recht hebben migratie te controleren, maar dat artikel 3 EVRM verbiedt iemand uit te zetten wanneer er ernstige gronden zijn om een reëel risico op mishandeling in het bestemmingsland aan te nemen, rekening houdend met de algemene situatie en de specifieke omstandigheden van de betrokkene.

In casu was het EHRM er niet van overtuigd dat de nationale autoriteiten zich op voldoende elementen hadden gebaseerd om de algemene situatie in Afghanistan te beoordelen, met name wat de Hazara-etniciteit betreft. Het EHRM heeft daarom diverse objectieve en betrouwbare rapporten (zowel VN- en EU-rapporten, als rapporten van middenveldorganisaties) bestudeerd om zijn eigen beoordeling te maken, gericht op de actuele situatie.

Op basis daarvan concludeert het EHRM dat de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie in Afghanistan zorgwekkend is: de mensenrechtensituatie is sinds de machtsovername door de Taliban voortdurend verslechterd, met wijdverspreide schendingen van fundamentele rechten zoals willekeurige arrestaties en detenties, buitengerechtelijke executies, de toepassing van de doodstraf, lijfstraffen, foltering en andere vormen van mishandeling. Het EHRM stelt echter dat dit op zichzelf niet volstaat om elke uitzetting automatisch als een schending van artikel 3 EVRM te beschouwen.

Het EHRM erkent dat de Hazara-minderheid in Afghanistan wordt geconfronteerd met wijdverbreide discriminatie en het doelwit is van aanvallen en moorden, met name door de gewapende verzetsgroep Islamitische Staat Khorasan-provincie, maar het EHRM is er niet van overtuigd dat Hazara's systematisch worden blootgesteld aan met artikel 3 EVRM strijdige behandelingen.

Het EHRM is echter van oordeel dat de vraag of er een reëel risico op mishandeling bestaat, moet worden beoordeeld op basis van alle relevante factoren samen. Bij een dergelijke beoordeling moet zowel rekening worden gehouden met de algemene situatie als met de specifieke omstandigheden van de verzoeker. Ook al vormen bepaalde afzonderlijke factoren op zichzelf beschouwd mogelijk geen reëel risico, dit kan anders zijn wanneer zij cumulatief worden bekeken en worden geplaatst binnen de algemene situatie in het betreffende land. Het EHRM oordeelt dat de nationale beslissingen in de zaak van de verzoeker bij de risicobeoordeling geen rekening houden met al deze relevante factoren in onderlinge samenhang.

De verzoeker loopt verhoogde risico's vanwege zijn Hazara-etniciteit en de regio waar hij vandaan komt (Mazar-e Sharif), waar de Islamitische Staat Khorasan-provincie bijzonder actief is. Bovendien heeft hij verklaard zich tot het christendom te hebben bekeerd. Hoewel het EHRM geen voldoende redenen heeft om af te wijken van de conclusies van de nationale autoriteiten over de oprechtheid van deze bekering, stelt het wel dat rekening moet worden gehouden met de risico's waaraan betrokkene zou kunnen worden blootgesteld indien hij als bekeerling of afvallige zou worden beschouwd.

Verder heeft de heer D.M. geen recente ervaring met het leven in Afghanistan en heeft hij slechts beperkte ervaring gehad met het leven onder het vroegere Taliban-regime. Hij verblijft al tien jaar in Zweden, wat een aanzienlijk deel van zijn leven vertegenwoordigt. In het kader van de asielprocedure hebben de Zweedse autoriteiten erkend dat hij zich heeft aangepast aan een westerse levensstijl. Tijdens zijn verblijf in Zweden heeft hij immers gedrag vertoond dat kan worden gezien als strijdig met de religieuze en morele normen die in Afghanistan worden toegepast. Het EHRM is er niet van overtuigd dat hij, indien hij naar zijn land zou worden teruggestuurd, deze aspecten van zijn identiteit zou kunnen verbergen, met name gelet op het huidige repressieve regime in Afghanistan. De Taliban handhaven een strikte morele code en sociale controle, die vrijwel alle aspecten van het bestaan reguleren. Personen die naar Afghanistan worden teruggestuurd en zich niet aan de geldende regels en beperkingen houden, riskeren detentie en zware straffen, waaronder geseling. De naleving van de regels wordt actief gecontroleerd, en recente rapporten tonen aan dat zelfs kleine overtredingen of geruchten over in het Westen ondernomen activiteiten kunnen volstaan om een negatieve reactie uit te lokken van de Taliban, familieleden of buren.

Het EHRM concludeert dat het cumulatieve effect van de specifieke omstandigheden van de verzoeker, met name zijn Hazara-etniciteit, in de algemene context van de mensenrechtensituatie, een reëel risico op mishandeling creëert bij terugkeer naar Afghanistan. Bijgevolg zou er sprake zijn van een schending van artikel 3 EVRM indien de tegen de verzoeker genomen uitzettingsbeslissing ten uitvoer zou worden gelegd.