Samenvatting
Het Hof van Justitie (hierna: het HvJ) verduidelijkt in Ebilum de omvang van de rechterlijke toetsing van een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming en het criterium van de “gegronde vrees voor vervolging”. De zaak betrof acht Iraakse staatsburgers uit de Koerdische regio van Irak wier verzoeken om internationale bescherming in Nederland waren afgewezen. De verwijzende Nederlandse rechter vroeg onder meer of de rechter in eerste aanleg zelf bindend kan oordelen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en over de behoefte aan internationale bescherming.
Het HvJ stelt voorop dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: de Asielprocedurerichtlijn), gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), vereist dat de rechter in eerste aanleg een volledig en ex nunc onderzoek verricht van zowel de feitelijke als de juridische aspecten van het geschil. De rechter moet zelf en bindend uitspraak kunnen doen over de relevante aspecten en de beschermingsbehoefte. Daarbij moet de rechter rekening kunnen houden met bewijsmateriaal dat in de beroepsprocedure wordt overgelegd. De lidstaten mogen deze bevoegdheid niet zodanig beperken dat geen daadwerkelijke, volledige rechterlijke toetsing mogelijk is
Het HvJ verduidelijkt daarnaast het begrip “gegronde vrees voor vervolging” in artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Kwalificatierichtlijn). Een dergelijke vrees bestaat wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd. De beoordeling mag niet uitsluitend vanuit het subjectieve perspectief van de verzoeker plaatsvinden, maar moet individueel, specifiek en objectief zijn. Daarbij moeten zowel de persoonlijke situatie van de verzoeker en de feiten en omstandigheden die diens aanvraag ondersteunen als de situatie in het land van herkomst in aanmerking worden genomen.