Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 277.974 - 27-09-2022

Samenvatting

Krachtens artikel 61 van de vreemdelingenwet kan het bewijs dat de vreemdeling over voldoende bestaansmiddelen beschikt worden geleverd door het overleggen van ‘enig ander’ bewijsmiddel van voldoende bestaansmiddelen. Verweerder moet bij de beoordeling van de bestaansmiddelen rekening houden met onder meer “het wettig en regelmatig uitoefenen van een winstgevende activiteit buiten de tijd die normaal aan de studie moet worden gewijd”. Hiermee wordt dus het inkomen uit studentenarbeid bedoeld. Tenslotte bepaalt artikel 61 van de vreemdelingenwet nog dat de beoordeling of de vreemdeling over voldoende bestaansmiddelen beschikt, gebaseerd moet zijn op “een individueel onderzoek van het geval”.
 
Na een lezing van de bestreden beslissing kan de Raad alleen maar vaststellen dat hieruit niet kan worden opgemaakt of verweerder al dan niet een individueel onderzoek naar de persoonlijke situatie van verzoeker heeft gevoerd. In de bestreden beslissing wordt er wel verwezen naar de loonbriefjes die verzoeker ter staving van zijn verblijfsaanvraag heeft voorgelegd maar wordt er in zeer algemene bewoordingen gesteld dat betrokkene niet bewijst over voldoende bestaansmiddelen te beschikken overeenkomstig artikel 61 van de vreemdelingenwet. Verweerder motiveert enkel dat de voorgelegde loonfiches geen bewijs vormen van regelmatige, stabiele en voldoende bestaansmiddelen, doch verschaft geen verdere uitleg waarom of op welke manier hij tot deze conclusie is gekomen.
 
Bovendien bemerkt de Raad dat waar verweerder tot deze conclusie zou zijn gekomen omdat verzoeker enkel en alleen studentenarbeid heeft verricht, wat nota bene niet uitdrukkelijk uit de bestreden beslissing blijkt, dan nog stelt de Raad vast dat artikel 61 van de vreemdelingenwet minstens niet uitsluit dat het bewijs van voldoende bestaansmiddelen wordt geleverd aan de hand van de inkomsten die de vreemdeling als student heeft vergaard. In ieder geval moet er een individueel onderzoek worden gevoerd naar het voorhanden zijn van voldoende bestaansmiddelen. In casu had verweerder aldus een individueel onderzoek moeten voeren in het licht van de studentenarbeid die verzoeker heeft verricht en had hij moeten nagaan of verzoeker over een minimumbedrag beschikt dat zijn kosten van gezondheidszorgen, verblijf, en terugreis/repatriëring dekt, teneinde tijdens zijn zoekjaar niet ten laste te komen van het sociale bijstandsstelsel van België. Verweerder kan de verblijfsaanvraag niet weigeren louter op basis van het feit dat de bestaansmiddelen zijn verkregen door middel van studentenarbeid.
 
Uit niets in de bestreden beslissing blijkt dat verweerder is overgegaan tot een individueel onderzoek van de concrete omstandigheden eigen aan de situatie van verzoeker. Waar verweerder in zijn nota met opmerkingen motiveert dat het minimumbedrag van de bestaansmiddelen 730 euro netto per maand is voor het academiejaar 2022/2023 en 679 euro netto per maand is voor het academiejaar 2021/2022, betreft het een a posterioiri motivering die de onrechtmatigheid van de bestreden beslissing niet kan herstellen.