Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 285.531 - 28-02-2023

Samenvatting

Uit de geciteerde arresten van verzoeker kan inderdaad afgeleid worden dat de vaste rechtspraak van de Raad erin bestaat dat voor Palestijnse vluchtelingen die in de Gazastrook bijstand genoten van UNRWA, wordt aangenomen dat de werkomstandigheden van UNRWA in de Gazastrook een zodanig niveau hebben bereikt dat, hoewel het agentschap zijn aanwezigheid in Gaza niet formeel heeft stopgezet, het in de praktijk met dermate ernstige operationele moeilijkheden wordt geconfronteerd dat de Palestijnse vluchtelingen in het algemeen niet meer kunnen rekenen op de bescherming of bijstand van het agentschap op dit werkterrein waardoor Palestijnse vluchtelingen uit de Gazastrook die bijstand genoten van UNRWA van rechtswege onder het Vluchtelingenverdrag vallen en hun nood aan internationale bescherming wordt erkend, onder voorbehoud van het niet vallen onder een uitsluitingsbepaling. Dit ligt in lijn met het arrest El Kott en artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag.
 
De Raad kan niet voorbijgaan aan deze vaste rechtspraak die verzoeker aanhaalt, nu ook in zijn geval niet betwist is dat hij geregistreerd is bij UNRWA, een verblijfsrecht heeft in Gaza en uit de uitsluitingsbeslissing van het CGVS duidelijk blijkt dat hij bijstand van UNRWA genoot. De vaste rechtspraak stelt, gebaseerd op het arrest El Kott van het Hof van Justitie (punt 81) dat “een [UNRWA-Palestijn] […] enkel aanspraak [kan] maken op de vluchtelingenstatus wanneer de door UNRWA verleende bijstand “om welke reden ook” is opgehouden. In dit verband preciseert het Hof van Justitie dat de door UNRWA verleende bijstand slechts in twee situaties wordt beschouwd als opgehouden. Ten eerste wanneer het agentschap wordt opgeheven, of het agentschap in de onmogelijkheid verkeert om zijn opdracht te volbrengen.
Ten tweede wanneer het vertrek van de betrokken persoon zijn rechtvaardiging vindt in redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil waardoor hij gedwongen is het gebied waarin UNRWA werkzaam is te verlaten en op deze wijze wordt verhinderd de door UNRWA verleende bijstand te genieten (HvJ 19 december 2012, C-364/11, El Kott v. Bevándorlási és Államolgársági Hivatal, §§ 5565). Dit laatste is volgens het Hof van Justitie het geval indien de verzoeker zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid bevond en het voor het betrokken orgaan of de betrokken instelling onmogelijk was hem in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee dat orgaan of die instelling is belast (HvJ 19 december 2012, C-364/11, El Kott v. Bevándorlási és Államolgársági Hivatal, § 65).
 
Bij het beoordelen of de door UNRWA verleende bijstand in hoofde van verzoeker “om welke reden ook is opgehouden”, moet aldus elk van deze omstandigheden worden onderzocht. Indien is vastgesteld dat de door UNRWA verleende bijstand is opgehouden, dan moet de betrokkene van rechtswege als vluchteling worden erkend, tenzij hij om de redenen vermeld in de artikelen 1E en 1F van het Vluchtelingenverdrag dient te worden uitgesloten (HvJ 19 december 2012, C-364/11, El Kott v. Bevándorlási és Államolgársági Hivatal, § 81).” (eigen onderlijnen)
 
Zoals supra reeds aangehaald heeft het CGVS in de beslissing van 28 september 2021 erkend dat het in het kader van het verzoek om internationale bescherming niet is overgegaan tot een onderzoek of de bijstand van UNRWA om welke reden ook is opgehouden. Hij heeft bijgevolg zijn onderzoek in het (weliswaar uitgebreide) advies beperkt tot een onderzoek naar de vraag of de tweede situatie, zoals supra beschreven, zich heeft voorgedaan. In die tweede situatie vertrekt het CGVS nog steeds van een UNRWA dat wél bijstand verleent, maar waarin een persoon gedwongen is dit gebied waar de bijstand wordt verleend, te verlaten. Hij heeft de eerste situatie niet onderzocht in het advies.
 
Verder heeft de Raad evenmin een eventuele insluiting onderzocht, aangezien dit niet is vereist in geval van uitsluiting van de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus.
 
Bijgevolg kan om voormelde redenen niet vastgesteld worden dat wat betreft het onderzoek naar een schending van artikel 3 van het EVRM in casu de verwijzing naar de beslissing van het CGVS en naar het arrest van de Raad kan volstaan. Er blijkt ook uit het administratief dossier geen recente beoordeling door de gemachtigde van het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM voorafgaand aan het nemen van de verwijderingsmaatregel.
 
Verzoeker heeft met zijn betoog in het eerste onderdeel aldus aannemelijk gemaakt dat het risico op een schending van artikel 3 van het EVRM in het kader van de voorliggende verwijderingsmaatregel niet op afdoende wijze werd onderzocht en er een begin van bewijs is dat een dergelijk risico zou kunnen bestaan.