Rechtbank van eerste aanleg Brussel - 22/1926/A - 14-04-2023

Samenvatting

Volgens de rechtbank van eerste aanleg Brussel is de beslissing tot terugdrijving onwettig op grond van volgende redenen:

Uit de voorbereidende werken bij artikel 3, §1, 3°Vw blijkt dat dit artikel een omzetting is van de binnenkomstvoorwaarden voor derdelanders die een kort verblijf beogen zoals neergelegd in artikel 6 van de Schengengrenscode (SGC). Een beslissing tot terugdrijving ten aanzien van een derdelander met een visum type D (lang verblijf – studies) kan bijgevolg niet gebaseerd zijn op artikel 3,§1, 3° Vw. Artikel 14.1 SGC dat voorziet in de weigering van de toegang tot het grondgebied aan derdelanders die de binnenkomstvoorwaarden van artikel  6 SGC niet vervullen, bepaalt uitdrukkelijk dat dit artikel geen afbreuk doet aan de toepassing van de specifieke bepalingen over de afgifte van visa lang verblijf. Het is volgens de rechtbank bijgevolg toegelaten om bij de grenscontrole derdelanders die de binnenkomstvoorwaarden niet vervullen de toegang tot het grondgebied te ontzeggen voor zover die derdelanders geen houder zijn van een verblijfsvergunning of een visum lang verblijf.
De Belgische diplomatieke of consulaire post in het buitenland is als enige bevoegd om te beslissen over een studentenvisumaanvraag (artikel 60, §1 Vw). Door de beoordeling van de visumaanvraag door de Belgische ambassade in Congo opnieuw in vraag te stellen (via het peilen naar de academische kennis van betrokkene aan de hand van een vragenformulier), hebben de luchtvaartautoriteiten manifest aan machtsoverschrijding gedaan.

De beslissing tot vasthouding mankeert volgens de rechtbank een wettige basis en een juridisch toelaatbare motivering hetgeen een schending van artikel 5 EVRM (recht op vrijheid) uitmaakt.

Artikel 74/5, §1, 1° Vw bepaalt dat een vreemdeling die met toepassing van de Verblijfswet door de grenspolitie kan worden teruggedreven, mag worden vastgehouden in afwachting van de machtiging om op het grondgebied te worden toegelaten of van zijn terugdrijving van het grondgebied. Nu vaststaat dat de beslissing tot terugdrijving onwettig is, kan deze ook niet de juridische basis vormen voor de vasthouding van betrokkene.
Uit de algemene en stereotiepe motivering van de beslissing tot vasthouding kan bovendien niet vastgesteld worden dat de administratieve overheid de situatie van de betrokkene concreet en individueel onderzocht heeft, zoals nochtans vereist door artikel 62, §2 Vw en de formele motiveringswet van 29 juli 1991.

Verder stelt de rechtbank dat de Belgische overheid de volgende ernstige fouten beging bij:

het niet naleven van de wetten op het gebruik van talen in administratieve aangelegenheden van 18 juli 1966,
het ontbreken van een geldige verwijderingsbeslissing als basis voor de ondernomen repatriëringspogingen en
het aanbrengen van een officiële stempel (“geannuleerd”) zonder dat een administratieve beslissing eraan ten grondslag ligt.

Wegens hoger genoemde fouten kent de rechtbank betrokkene een morele schadevergoeding toe.