Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 13337/19 - 15-10-2024

Samenvatting

Op 15 oktober 2024 besloot het EHRM dat Duitsland artikel 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) heeft geschonden door de onmiddellijke verwijdering van een Syrische asielzoeker naar Griekenland op basis van een bilateraal akkoord, zonder enig risico-onderzoek naar refoulement, heropening van de asielprocedure en opvang in Griekenland. Het EHRM besloot ook dat Griekenland zowel artikel 3 EVRM als artikel 5§ 4 EVRM geschonden heeft door de verzoeker opgesloten te hebben in een politiekantoor voor meer dan twee maanden in slechte omstandigheden, zonder dat de rechters met de detentieomstandigheden rekening gehouden hebben bij de behandeling van zijn beroep.

De verzoeker moet 6.500 euro van Duitsland en 8000 euro van Griekenland krijgen als morele schadevergoeding voor de ondergane schendingen van zijn grondrechten.

Feiten: versnelde verwijdering van de Duitse grens naar Griekenland op basis van een bilateraal akkoord

De verzoeker, afkomstig uit Syrië, is in juni 2018 op het Griekse eiland Leros aangekomen, waar hij een asielaanvraag indiende. Zijn aanvraag kon enkel op het eiland behandeld worden, waar hij in een overbevolkt opvangcentrum (hotspot) moest verblijven. Door die slechte levensomstandigheden heeft hij de hotspot verlaten. Op 4 september 2018 om 5u s ’morgens is hij door de Duitse grenspolitie aangehouden in een bus met een valse Bulgaarse identiteitskaart. Hij probeerde een aanvraag om internationale bescherming in te dienen maar dat werd niet geregistreerd. Hij kreeg een eerste beslissing (weigering om het grondgebied binnen te komen), samen met een geschreven uitleg in het Arabisch. Het document vermeldde dat hij naar Oostenrijk zou verwijderd worden maar de politie vertelde hem mondeling dat hij naar Griekenland zou moeten terugkeren. Kort voor zijn overdracht naar de luchthaven, kreeg hij een tweede beslissing van weigering tot binnenkomst als asielzoeker, dit zonder uitleg noch geschreven noch mondeling in een taal die hij begreep. Er was geen tolk en ook geen toegang tot een advocaat. Om 7u20 s ‘avonds op dezelfde dag, is hij per vliegtuig naar Griekenland teruggekeerd. Bij aankomst in Griekenland werd hij aangehouden en naar Leros teruggebracht, waar hij in een politiekantoor gedurende meer dan 2 maanden werd opgesloten, zonder toegang tot een open ruimte of enige activiteit. Eind november 2018 werd hij vrijgelaten, na zijn identificatie als kwetsbare persoon door een psychiater. Na een eerste weigering om zijn asieldossier te heropenen, werd hij in 2020 erkend als vluchteling door de Griekse autoriteiten. In 2021 is de verzoeker naar Duitsland teruggekomen en heeft dan een aanvraag tot internationale bescherming kunnen indienen. In 2022 heeft hij in Duitsland de subsidiaire bescherming gekregen.

Voor het EHRM beweert hij dat Duitsland de procedurele verplichtingen om foltering, onmenselijke of vernederende behandeling te voorkomen (artikel 3 EVRM en artikel 13 EVRM, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) heeft geschonden door zijn snelle verwijdering naar Griekenland zonder risico-onderzoek. Tegen Griekenland, beweert hij dat zijn opsluiting in het politiekantoor van Leros zowel artikel 3 EVRM (verbod op foltering en op vernederende en onmenselijke behandelingen) als artikel 5 §1 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) en 5 §4 EVRM (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel bij detentie) heeft geschonden.

Schending artikel 3 EVRM (procedureel vlak) door snelle verwijdering vanuit Duitsland

In 2018 sloten de Duitse autoriteiten een bilateraal akkoord met Griekenland over binnenkomstweigeringen van personen komende vanuit Griekenland via Oostenrijk die een wens tot bescherming hebben geuit (§ 63 van het arrest). Op basis van dat akkoord werden 6 personen in 2018 en 31 in 2019 teruggebracht, zonder individuele garanties van Griekenland.

Voor het EHRM, beweert de Duitse regering dat de verzoeker met een vrijwillige terugkeer naar Griekenland had ingestemd. Het EHRM herhaalt dat een afstandsverklaring van een verdragsrechtelijk beschermd recht op ondubbelzinnige wijze moet tot stand komen, vrijwillig moet zijn en een bewuste en intelligente afstand van een recht moet inhouden. In casu was er zelfs geen ondertekend formulier aanwezig, ook al volstaat dit op zich niet om een dergelijke toestemming te bewijzen (zoals in de zaak M.A. t. België, waarin het EHRM ook had beslist dat er geen sprake was van een vrijwillige terugkeer omdat het formulier werd ondertekend in een context van psychologische dwang). Dat volstaat voor het EHRM om de hypothese van de vrijwillige terugkeer niet in overweging te nemen.

Het EHRM herhaalt zijn vaste rechtspraak in de context van de verwijdering van asielzoekers. Het is de plicht van de verwijderingsstaat om grondig te onderzoeken of er al dan niet een reëel risico bestaat dat de asielzoeker in het ontvangende land geen toegang krijgt tot een adequate asielprocedure, die hem beschermt tegen refoulement. Deze verplichting geldt ongeacht of het ontvangende land al dan niet een EU-lidstaat is (§ 138).

Het EHRM noteert dat het administratief bilateraal akkoord op basis waarvan verzoeker door Duitsland naar Griekenland is uitgezet, geen bepalingen bevat die garanderen dat asielzoekers die op grond van deze regeling worden uitgezet, na hun uitzetting naar Griekenland toegang hebben tot een doeltreffende asielprocedure waarin hun asielaanvraag ten gronde wordt beoordeeld, zo nodig door voortzetting of heropening van een eerdere asielprocedure wanneer een dergelijke procedure is beëindigd zonder dat het asielverzoek is beoordeeld. Het akkoord bevatte evenmin waarborgen dat asielzoekers die op grond van de regeling werden verwijderd, in Griekenland niet zouden worden blootgesteld aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, bijvoorbeeld wegens de detentieomstandigheden of de levensomstandigheden van asielzoekers.

Op basis van openbare bronnen (verslagen van het UNHCR, het Comité van de ministers en het CPT van de Raad van Europa, de Europese commissie, de Griekse ombudsman), beoordeelt het EHRM dat Duitsland op de hoogte was of had moeten zijn van de algemene tekortkomingen in het Griekse asielsysteem. In een dergelijke context, moesten de Duitse autoriteiten voldoende garanties van Griekenland krijgen, i.v.m. de toegang tot een adequate asielprocedure om het risico op kettingrefoulement naar Syrië te voorkomen en ook i.v.m. het risico op slechte behandelingen door moeilijke detentieomstandigheden. Het EHRM merkt op dat de snelle verwijdering van de verzoeker uitgevoerd is, zonder enig onderzoek naar die risico’s en zonder dat hij zijn situatie met een advocaat kon bespreken. Geen garanties werden van Griekenland bekomen, noch op basis van het bilateraal akkoord, noch via een individueel verzoek.

Door het gebrek aan onderzoek heeft Duitsland zijn procedurele verplichting op basis van artikel 3 EVRM niet vervuld. Het feit dat de verzoeker uiteindelijk toch is erkend als vluchteling door Griekenland, heeft geen invloed op het niet-naleven van die verplichting. Duitsland heeft dus artikel 3 EVRM (procedureel vlak) geschonden.

Schending artikel 3 EVRM (materieel vlak) door slechte detentieomstandigheden in Leros

Griekenland is al meermaals veroordeeld voor slechte detentieomstandigheden van migranten in politiekantoren (§ 82). Volgens het EHRM is detentie in de cellen van een politiekantoor gedurende één tot drie maanden strijdig met artikel 3 EVRM, omdat die cellen ontworpen zijn om mensen slechts voor korte tijd op te vangen. De specifieke tekortkomingen in de detentieomstandigheden van verzoeker in Leros komen overeen met de trends die al in andere Griekse zaken voor het EHRM zijn vastgesteld: overbevolking, gebrek aan buitenruimte om te bewegen (verzoeker moest 24u op 24 in de cel blijven), slechte sanitaire omstandigheden (onregelmatige levering van voorgeschreven geneesmiddelen en gebrek aan hygiëne) en geen toegang tot zijn GSM. Verzoeker is 2 maanden en 17 dagen onder die slechte omstandigheden opgesloten, wat tot een schending van artikel 3 EVRM leidt.

Schending artikel 5 §4 EVRM: onvolledige toetsing van wettigheid van de detentie door de Griekse rechters

De verzoeker heeft vergeefs de slechte detentieomstandigheden van het politiekantoor van Leros 2 keer ingeroepen voor de Griekse administratieve rechtbank. Twee keer is zijn beroep afgewezen. Volgens de Griekse rechters kon hij de slechte omstandigheden niet bewijzen. Toch voorziet de Griekse wet, sinds een amendement van 2010, dat de wettigheidscontrole niet meer beperkt is tot het risico op een schending van de openbare orde en het risico op onderduiken van de opgesloten persoon maar moet er ook rekening worden gehouden met detentieomstandigheden. Sinds dat amendement, kan de rechter die ongepaste omstandigheden vaststelt, bevelen dat de betrokkene ofwel vrijgelaten ofwel naar een andere gepaste detentieplaats wordt overgebracht. Het EHRM stelt vast dat verzoeker zowel gedetailleerde beschrijving van zijn detentieomstandigheden als rechtspraak van het EHRM met zaken gerelateerd aan zijn eigen situatie voor de Griekse rechtbank voorgelegd heeft. De Griekse rechters hebben die elementen niet ten gronde onderzocht en hebben de garanties bedoeld in het wettelijke amendement niet toegepast. Daardoor had verzoeker geen daadwerkelijk en spoedig rechtsmiddel tegen zijn detentie en is artikel 5 §4 EVRM geschonden.

Geen schending artikel 5 §1 EVRM: detentie was bedoeld om verzoeker te verwijderen

Bepaalde NGO’s (ECRE, AIRE Center, Vluchtelingenwerk Nederland) hebben een interventie voor het EHRM ingediend om voor het subsidiair karakter van de detentie van asielzoekers te pleiten. Volgens hen zou de detentie van een asielzoeker willekeurig zijn zonder voorafgaand onderzoek naar alternatieve maatregelen. Het EHRM volgt die redenering duidelijk niet: de detentie van verzoeker was zonder twijfel met het oog op uitwijzing in de zin van artikel 5 f) EVRM. Zijn hoedanigheid van asielzoeker heeft geen invloed op de wettigheid van de detentie en schorst de duur van de detentiebeslissing niet onder het Griekse recht. Rekening houdend met de context, beoordeelt het EHRM dat de totale duur van de detentie, 2 maanden en 23 dagen, niet buitensporig is. De detentieomstandigheden, die strijdig met artikel 3 EVRM waren, moeten niet opnieuw behandeld worden in het kader van het onderzoek op basis van artikel 5 f) EVRM. De detentie van verzoeker heeft dus artikel 5 f) EVRM niet geschonden.