Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 1557/19 - 21-06-2022

Samenvatting

In deze zaak oordeelt het EHRM unaniem dat Turkije geen onderzoek heeft gevoerd naar een mogelijke schending van artikel 3 EVRM. Turkije had immers de verzoeker, die tijdelijke bescherming genoot in Turkije uitgezet naar Syrië, nadat de man zonder dit te beseffen een document van vrijwillige terugkeer had ondertekend. In tegenstelling tot de positie van de Turkse overheid, oordeelt het EHRM dat er wel degelijk sprake is van een gedwongen terugkeer. Zijn detentie was bijgevolg ook niet door de wet voorzien en kon niet voor de rechtbanken aangevochten worden (schending artikel 5 EVRM). Het gebruik van handboeien gedurende de transfer met de bus vormt een tweede schending van artikel 3 EVRM (vernederende behandeling).  
Het EHRM kent verzoeker een morele schadevergoeding van 9.750 euro toe.
Feiten: uitwijzing van Syrische begunstigde van bescherming in Turkije naar Syrië in de vorm van een “vrijwillige” terugkeer
 
Verzoeker is een Syriër die in Turkije tijdelijke bescherming geniet. In juni 2018 arresteerde de Turkse politie hem toen hij in groep de grens met Griekenland probeerde over te steken. Van daaruit werd hij per bus overgebracht naar Hatay en gedurende de hele busreis (20 uur) geboeid, behalve om te eten en naar het toilet te gaan. Toen hij in deze provincie aankwam, ondertekende hij een document waarvan hij de inhoud niet begreep. Hij dacht dat het een uitzettingsbevel was dat hij voor de rechter kon aanvechten. Toen zijn advocaat in beroep ging, antwoordde de Turkse rechtbank dat er geen uitzettingsbevel was en dat zijn cliënt een document had ondertekend om zijn vrijwillige terugkeer naar Syrië te aanvaarden. Twee dagen na zijn arrestatie werd hij uitgezet naar Syrië, maar uiteindelijk keerde hij illegaal terug naar Turkije en kon hij zich bij zijn familie voegen in Duitsland, waar verschillende familieleden erkend zijn als vluchteling.
 
Terugkeer naar Syrië was niet vrijwillig
 
Verwijzend naar de zaak M.A. tegen België (nr. 19656/18)[1], is het EHRM van mening dat verzoeker in het onderhavige geval niet op ondubbelzinnige, dat wil zeggen op bewuste en geïnformeerde wijze, afstand heeft gedaan van de door artikel 3 EVRM verleende bescherming. Volgens de Turkse wet moet de ondertekening van een document voor vrijwillige terugkeer gebeuren in aanwezigheid van een tolk en een vertegenwoordiger van het UNHCR, de Rode Halve Maan of een NGO. Het EHRM stelt vast dat deze voorwaarden niet zijn nageleefd en dat verzoeker in feite zonder formele beslissing onder dwang is uitgezet en vastgehouden. In de derde interventie die Amnesty International in deze zaak heeft ingediend, merkt de NGO op dat er op internationaal niveau geen uniforme en algemeen aanvaarde definitie van "vrijwillige terugkeer" bestaat. Het beschrijft het bestaan van dwang- of bedrieglijke praktijken van bepaalde staten om vluchtelingen of asielzoekers te dwingen tot "vrijwillige terugkeer" naar bijvoorbeeld Syrië of Irak.
 
Schending artikel 3 EVRM (procedurele verplichtingen) : geen onderzoek van het risico op refoulement voor de verwijdering naar Syrië
Het EHRM stelt vast dat de Turkse autoriteiten geen risicobeoordeling hebben verricht alvorens verzoeker uit te zetten naar het noordelijke deel van Syrië, dat destijds een oorlogsgebied was dat noch door de regering noch door de oppositie werd gecontroleerd. Op het voorgedrukte en door verzoeker ondertekende formulier "vrijwillige terugkeer" stond dat hij "door de autoriteiten uitvoerig was geïnformeerd over de algemene en veiligheidssituatie in (zijn) land van herkomst". Het EHRM merkt echter op dat dit formulier, waarvan verzoeker betwist op de hoogte te zijn geweest, geen specifieke details bevatte over de persoonlijke situatie van verzoeker in Syrië, noch uitlegde waarom het mogelijke risico waarvoor verzoeker tijdelijke bescherming genoot, niet langer aanwezig was.
Verzoekers uitwijzing naar Syrië schond derhalve artikel 3 EVRM.
Schending artikel 13 juncto 3 EVRM : geen daadwerkelijk rechtsmiddel
Het EHRM wijst op het gebrek aan garanties rond de ondertekening van het document voor "vrijwillige terugkeer", de haast waarmee de uitzetting werd uitgevoerd (2 dagen na zijn arrestatie, inclusief een busrit van 20 uur) en de aantijgingen van Amnesty International over talrijke andere soortgelijke gevallen. Gelet hierop is het EHRM van mening dat verzoekers uitoefening van de door de Turkse wet geboden beroepsmogelijkheden werd belemmerd door overhaast en misleidend optreden van de autoriteiten vóór zijn verwijdering. Hij had in de praktijk geen toegang tot een opschortend rechtsmiddel om een serieus onderzoek van zijn klachten tegen zijn uitzetting naar Syrië te verkrijgen.
 
De artikelen 13 en 3 EVRM zijn derhalve eveneens geschonden.
Schending artikel 5 § 1, 2, 4, 5 EVRM : de facto detentie zonder wettige basis, zonder informatie en zonder rechtsmiddel en mogelijke vergoeding
Volgens het EHRM staat vast dat verzoeker tussen zijn arrestatie in Edirne (grens met Griekenland) en zijn uitzetting naar Syrië de facto werd vastgehouden. Er is echter geen formeel besluit genomen of aan hem betekend. De Turkse wet inzake detentie met het oog op uitzetting is niet nageleefd, hetgeen een schending van artikel 5, lid 1, EVRM inhoudt. Verzoeker is nooit op de hoogte gesteld van de werkelijke redenen voor zijn vrijheidsberoving. Integendeel, hem werd verteld dat hij naar een Syrisch vluchtelingenkamp in de Turkse stad Gaziantep zou worden gebracht. Het was echter de bedoeling hem te deporteren naar Noord-Syrië. Deze misleiding en dit gebrek aan informatie hebben geleid tot een schending van artikel 5 § 2 EVRM. Bijgevolg heeft verzoeker geen beroep kunnen instellen tegen zijn detentie of schadevergoeding kunnen verkrijgen voor zijn onwettige detentie, hetgeen leidt tot schending van de artikelen 5 §4 en 5 §5 EVRM.
Schending artikel 3 EVRM: het gebruik van handboeien gedurende de busreis is een vernederende behandeling
Tijdens de bus transfer van Edirne naar Hatay werden verzoeker en de andere alleenstaande Syriërs in paren geboeid, behalve tijdens de voedsel- en toiletpauzes. De reis duurde ongeveer 20 uur. Gezien het onrechtmatige karakter van de detentie en de omstandigheden is het EHRM van mening dat het gebruik van handboeien in casu een vernederende behandeling is. Dit is een tweede schending van artikel 3 EVRM.

[1] Over de uitvoering van het arrest M.A., zie ook: Myria en Federaal Instituut voor de bescherming en bevordering van de Rechten van de Mens, Communication au Comité des Ministres du Conseil de l’Europe, au sujet de l’exécution de l’arrêt M.A. c. Belgique (no. 19656/18),  2022, beschikbaar op:  https://federaalinstituutmensenrechten.be/nl/publicaties/voor-sterkere-…