Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 21768/19 - 9-05-2023

Samenvatting

Het EHRM veroordeelt Zwitserland voor een schending van artikel 8 EVRM wegens het weigeren van een verblijfrecht aan een Iraniër die al 54 jaar in Zwitserland verbleef waarvan 33 jaar wettig en 20 jaar onwettig (na de niet-uitvoering van een uitwijzingsbeslissing, die in 2002 werd afgeleverd na strafrechtelijke veroordelingen).
 
Feiten: weigering verblijf aan Iraniër na 54 jaar verblijf waaronder 20 jaar onwettig door niet-uitgevoerde uitwijzingsbeslissing
 
De verzoeker in deze zaak, Dhr. Ghadamian kwam in 1969 aan in Zwitserland, op de leeftijd van 29 jaar, waar hij tot 2002 wettig heeft verbleven en als radioloog werkte. Tussen 1988 en 2004 werd hij veroordeeld tot in totaal ongeveer vijf jaar gevangenisstraf voor verschillende strafbare feiten, waaronder valsheid in geschrifte, herhaaldelijke schending van vertrouwen en bedreigingen. In 1999, krijgt hij een inreisverbod van 5 jaar van de strafrechtelijke rechtbank. De uitwijzingsbeslissing is sinds 2002 uitvoerbaar maar de verzoeker is in Zwitserland gebleven, waar zijn partner, kinderen en kleinkinderen verblijven. Hij heeft geen gevolg gegeven aan de bevelen om het grondgebied te verlaten en de autoriteiten konden zijn paspoort niet in beslag nemen bij twee huiszoekingen in zijn woningen in 2004 en 2019. Tussen 2005 en 2016 werd hij nog veroordeeld wegens illegaal verblijf en eenmaal wegens een kleine diefstal van goederen ter waarde van 9,55 Zwitserse franken (ong. hetzelfde in euro). In 2008 en 2015 zijn al zijn pogingen tot herziening van de beslissing tot uitwijzing, of aanvragen tot verblijf als rentenier verworpen. Op 82-jarige leeftijd, verblijft hij nog steeds in Zwitserland zonder wettig verblijf, en ontvangt hij een pension.  
 
Voor het EHRM pleit verzoeker dat de weigering van verblijf en een eventuele uitwijzing naar Iran zijn recht op gezins- en privéleven (artikel 8 EVRM) geschonden heeft.
 
Schending van artikel 8 EVRM: weigering verblijf onevenredig bij uitzonderlijke omstandigheden
 
Eerst noteert het EHRM dat de banden tussen de verzoeker en zijn volwassenen kinderen, zonder bijzondere afhankelijkheidsband, niet onder het recht op gezinsleven maar wel privéleven valt. Het staat buiten kijf dat dhr. Ghadamian geen wettig verblijf heeft sinds 2002. Het EHRM noteert ook dat hij te kwader trouw de tenuitvoerlegging van het uitzettingsbevel tegengewerkt, door zijn Iraanse paspoort te verstoppen. Wanneer een vreemdeling zijn of haar privéleven opbouwt op het grondgebied van een staat terwijl hij of zij daar illegaal verblijft, is een latere weigering om een verblijfsvergunning af te geven alleen in uitzonderlijke omstandigheden in strijd met artikel 8 EVRM. Volgens het EHRM valt de situatie van verzoeker wel onder die bijzondere omstandigheden.
 
Het EHRM komt tot deze conclusie op basis van de volgende elementen. Verzoeker heeft nauwe banden met Zwitserland sinds zijn legaal verblijf van 33 jaar vanaf zijn aankomst in 1969 op 29-jarige leeftijd en heeft er het grootste deel van zijn leven gewoond. Zijn twee zonen wonen in Zwitserland met hun vijf kinderen met wie hij naar eigen zeggen een nauwe band heeft. Hij heeft ook al 14 jaar een Zwitserse partner, en heeft vrienden en relaties met leden van het volleybalteam dat hij gecoacht heeft. Dhr. Ghadamian beweert geen nauwe gezinsleden in Iran te hebben. Hoewel hij tot op heden geen grote gezondheidsproblemen heeft, is het onzeker hoelang hij in staat zal zijn om zelfstandig in zijn eigen huis te wonen. Daardoor zou een re-integratie in Iran moeilijk verlopen. Ook al waren de oorspronkelijke veroordelingen ernstig, toch stelt het EHRM vast dat hij sinds 2006 niet meer werd beschuldigd van een ernstige inbreuk. Sindsdien werd hij veroordeeld voor irregulier verblijf en één keer voor een kleine diefstal. Het EHRM stelt dat de overwegingen over zijn onwettig verblijf en zijn eerdere veroordelingen voor ernstige strafbare feiten, als relevante gronden kunnen worden beschouwd, maar dat ze in casu niet als voldoende kunnen worden beschouwd.
 
De Zwitserse autoriteiten hebben, ondanks hun beoordelingsmarge, veeleer een buitensporig gewicht toegekend aan het algemeen belang door te weigeren verzoeker een verblijfsvergunning voor rentenier te verlenen. Daardoor is artikel 8 EVRM geschonden.  
 
Het EHRM acht dat de vaststelling van schending van artikel 8 EVRM volstaat om de morele schade te vergoeden en kent dus geen bedrag aan verzoeker toe. In een afwijkende opinie legt rechter Serghides uit waarom, naar zijn interpretatie, de loutere vaststelling van schending van artikel 8 EVRM geen voldoende vergoeding op basis van artikel 41 EVRM vormt.