Samenvatting
Feiten: internationale kinderontvoering door de moeder
In deze zaak is de verzoeker, woonachtig in de Verenigde Staten, de vader van een jongen geboren in 2008 die in 2011 door zijn moeder ontvoerd werd. De koppel leefde aanvankelijk samen met het kind in de VS. In de zomer van 2011 is de moeder met hun zoon van bijna 3 jaar naar Kroatië vertrokken tijdens de vakantieperiode. Ze zou in principe op 31 augustus 2011 terugkeren naar huis. Desondanks heeft ze beslist om in Kroatië te blijven samen met haar zoon. Via e-mail heeft de vader vernomen dat zijn vrouw een burgerlijke vordering tot echtscheiding in Kroatië had ingediend. Een paar dagen later, heeft de advocaat van de vader de Kroatische centrale autoriteit verzocht om de vrijwillige terugkeer van het kind naar de VS te organiseren, zoals voorzien door het Verdrag van Den Haag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, waartegen de moeder zich verzette. De Kroatische rechtbank heeft een verslag over de levensomgeving van het kind en de financiële situatie van de moeder aan de lokale sociale dienst gevraagd om een beslissing te nemen. Intussen had de vader een vonnis van de rechtbank in de VS bekomen dat hem het omgangsrecht met zijn zoontje toekende. Maanden later (in maart 2012) heeft een Kroatische rechtbank beslist dat het kind niet naar de VS moest terugkeren. Op basis van verslagen van een psycholoog van de lokale sociale dienst, besliste de rechter dat het kind aan psychologisch misbruik door zijn vader kon onderworpen worden. De verzoeker heeft alle interne beroepen ingediend maar heeft uiteindelijk na een ruim drie jaar durende procedure in Kroatië geen gelijk gekregen. Voor het Europees Hof stelt de verzoeker dat Kroatië de artikelen 6 (recht op een eerlijk proces en in het bijzonder redelijke termijn), 8 (recht op gezinsleven) en 13 (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) geschonden heeft.
Schending van artikel 8: onredelijke duur van de gerechtelijke procedure na kinderontvoering
Het Hof herhaalt dat Staten de positieve verplichting hebben om het recht op gezinsleven te waarborgen. Volgens het Hof konden enkel de grieven op basis van artikel 8 van verzoeker behandeld worden: het recht om gehoord te worden binnen een redelijke termijn (bepaald door artikel 6 EVRM) maakt ook deel uit van de procedurele verplichtingen gebonden aan artikel 8 (§ 93). Bevoegde autoriteiten moeten maatregelen nemen om beide ouders met hun kinderen te herenigen. De toekomstige relatie tussen ouder en kind moeten door alle relevante omstandigheden bepaald worden en niet louter door verloop van tijd. Vertraagde procedures kunnen tot een fait accompli (“a de facto determination of the matter at issue”) leiden, wat een schending van de positieve verplichtingen van artikel 8 EVRM met zich kan meebrengen. In geval van kinderontvoering moet artikel 8 EVRM samen met het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 geïnterpreteerd worden. Dat verdrag heeft tot doel de terugkeer van het ontvoerde kind te organiseren, behoudens de uitzonderingen die in het verdrag vermeld worden. Dit verreist een spoedige behandeling door de gerechtelijke instanties, wat inhoudt dat in principe binnen de 6 week een beslissing moet genomen worden (artikel 11 van het Verdrag van 25 oktober 1980). Hoewel die termijn niet bindend is, stelt het Hof vast dat de Kroatische rechtbanken die termijn van 6 week met meer dan 151 weken hebben overschreden. Dit is niet verenigbaar met de verplichting om de zaken betreffende kinderontvoering spoedig te regelen. Het Kroatische gerecht heeft niet de nodige stappen ondernomen om de hereniging tussen de verzoeker en zijn zoon te vergemakkelijken. Daarom besluit het Hof dat Kroatië zijn positieve verplichtingen op basis van artikel 8 EVRM geschonden heeft. In een afwijkende opinie betwist de rechter Dedov dat het Verdrag van Den Haag systematisch moet worden toegepast.