Samenvatting
In deze zaak heeft het EHRM geoordeeld dat de Griekse autoriteiten tweemaal artikel 2 EVRM hebben geschonden. Ten eerste vanwege het ontbreken van een effectief onderzoek (procedureel aspect) na het gebruik van een vuurwapen in augustus 2015, aan boord van een boot met migranten, waarbij de zoon van de verzoekers om het leven kwam. Ten tweede oordeelde het EHRM dat de onderscheppingsoperatie niet zodanig was voorbereid en uitgevoerd dat het gebruik van dodelijk geweld en het potentiële gevaar daarvan voor mensenlevens tot een minimum werden beperkt (materieel aspect). Het EHRM kende de verzoekers een morele schadevergoeding van 80.000 euro toe voor het verlies van hun zoon.
Feiten: Irakees kind overleden door schot van Griekse kustwachter op boot
De verzoekers zijn de ouders van Ameer Mokhlas, een Irakese minderjarige die overleed na een schot van een kustwachter tijdens een operatie om een boot met migranten naar Griekenland te onderscheppen.
Op 29 augustus 2015 bevond het Irakese gezin zich samen met twee Turkse smokkelaars en vele andere migranten aan boord van een boot, onderweg naar het Griekse eiland Symi. Het oude jacht werd onderschept door een geplande patrouille van Letse en Griekse kustwachters, onderdeel van de gezamenlijke Europese operatie "Poseidon – Maritime Borders 2015". Via luidsprekers werd de boot bevolen te stoppen, maar de bestuurder gehoorzaamde niet en voerde gevaarlijke manoeuvres uit. Een Griekse kustwachter sprong aan boord van het jacht om het te stoppen en vroeg tegelijkertijd via de havenautoriteit van Symi om assistentie. Aan boord probeerde hij de schipper en zijn assistent te overtuigen te stoppen, maar de twee Turkse mannen vielen hem gewelddadig aan en gooiden voorwerpen naar hem. Terwijl de kustwachter de migranten op het dek hielp, vielen de smokkelaars hem opnieuw aan. Eén van hen gooide een vloeistof op de grond, waardoor de kustwachter uitgleed en viel, terwijl de ander de dienstknuppel, die de kustwachter vasthield, wist af te pakken. Vervolgens sloeg deze smokkelaar met de dienstknuppel op het hoofd en de rug van de kustwachter. Op dat moment arriveerden V.M., hoofd van de havenautoriteit, en drie andere kustwachters ter plaatse. Volgens de Griekse regering pakte een van de smokkelaars het vuurwapen van de kustwachter en gebruikte het, terwijl hij bovendien met een brandbare vloeistof was besprenkeld die de smokkelaar dreigde aan te steken met een aansteker. Deze feiten konden echter niet met voldoende zekerheid en buiten redelijke twijfel worden vastgesteld en worden door de verzoekers betwist.
V.M. vuurde eerst waarschuwingsschoten in de lucht en daarna op de voorruit van het jacht, maar de Turkse smokkelaars stopten niet. Vervolgens schoot hij gericht op de onderste ledematen van een van de smokkelaars, waarbij deze licht aan zijn voeten werd verwond. De kogel doorboorde vervolgens de scheidingswand van dunne vezelplaat in de stuurhut en raakte de jonge Irakees Ameer Mokhlas, zoon van de verzoekers, die zich in de kajuit van het jacht bevond. Ameer zat op dat moment samen met anderen op een bank en was vanuit de stuurhut niet zichtbaar. Hij werd naar de dokterspraktijk op Symi gebracht, waar hij ter plaatse werd doodverklaard.
De strafrechtelijke en tuchtprocedures die door de Griekse autoriteiten tegen de kustwacht werden geopend, zijn afgesloten. De conclusie luidde dat de fatale afloop — de dood van de Iraakse jongen — niet het gevolg was van nalatig gedrag van de kustwacht, maar te wijten was aan een toevallige en onvoorzienbare gebeurtenis.
Voor het EHRM stellen de verzoekers dat de Griekse autoriteiten artikel 2 EVRM hebben geschonden door het onnodige en onevenredige gebruik van vuurwapengeweld door de kustwacht, waardoor hun zoon is omgekomen (materieel aspect), en doordat er geen effectief onderzoek is verricht naar de omstandigheden van het incident (procedureel aspect).
Schending artikel 2 (procedureel vlak): het onderzoek was niet onafhankelijk en niet effectief
Het EHRM onderzoekt allereerst of de Griekse gerechtelijke autoriteiten een daadwerkelijk onderzoek hebben gevoerd. Om als "daadwerkelijk" te gelden in de zin van artikel 2 EVRM, moet een onderzoek adequaat zijn. Dit betekent dat het onderzoek in staat moet zijn vast te stellen of het gebruik van geweld door staatsagenten gerechtvaardigd was onder de gegeven omstandigheden, en dat het de verantwoordelijken identificeert en, indien nodig, bestraft. De conclusies van het onderzoek moeten gebaseerd zijn op een zorgvuldige, objectieve en onpartijdige analyse van alle relevante factoren (§94-95).
In casu is het EHRM van oordeel dat het onderzoek niet doeltreffend was, en wel om drie redenen.
Ten eerste merkt het EHRM op dat tijdens de procedure slechts acht van de 93 passagiers werden gehoord als getuige. Andere ooggetuigen, waaronder de persoon die de zoon van de verzoekers na de schietpartij naar het bovenste deel van het jacht had gedragen, werden niet ondervraagd.
Ten tweede stelt het EHRM vast dat de personen die belast waren met het strafrechtelijk onderzoek collega’s waren van de kustwachters die bij het incident betrokken waren. Zo vermeldt het expertiseverslag van de boot, opgesteld door collega’s van de havenautoriteit van Symi op de dag na het incident, dat er een container met brandstof aan boord aanwezig was. Dit wijst op een gebrek aan onafhankelijkheid van het onderzoek.
Ten derde vertoonde het onderzoek talrijke tekortkomingen die onder meer leidden tot het verlies van bewijsmateriaal. Zo hebben de Griekse autoriteiten bijvoorbeeld nagelaten te onderzoeken of er sporen van gemorste brandstof op het jacht aanwezig waren. Dit was volgens het EHRM des te noodzakelijker om het incident op te helderen, aangezien was beweerd dat een van de kustwachters door een Turkse smokkelaar met brandstof was overgoten en met verbranding was bedreigd. Deze tekortkomingen hebben de doeltreffendheid van het onderzoek aangetast, waardoor het niet mogelijk was de precieze omstandigheden van de dood van Ameer Mokhlas vast te stellen.
Hierdoor is het procedurele aspect van artikel 2 EVRM geschonden.
Schending artikel 2 (materieel vlak): geen gepaste voorbereiding en uitvoering van de onderscheppingsoperatie
Bij de beoordeling of ook het materieel aspect van artikel 2 EVRM al dan niet geschonden is, onderzoekt het EHRM twee aspecten:
1) of de betrokken operatie op zodanige wijze was georganiseerd dat het risico van schade voor de zoon van de verzoeker tot een minimum werd beperkt, en, ten slotte,
2) of het gebruik van geweld absoluut noodzakelijk was.
Hadden de kustwachters moeten weten dat er zich migranten onder de cabine van de Turkse boot bevonden? Enkele passagiers, waaronder de zoon van de verzoekers, waren verborgen in de onderste hut van het jacht. De kustwacht en V.M., die het fatale schot loste, hadden dezelfde Turkse boot eerder die maand, augustus 2015, al gecontroleerd. Volgens het EHRM had de kustwacht, als zij dit niet zeker kon weten, ten minste rekening moeten houden met de mogelijkheid dat er andere passagiers aan boord waren. Uit het dossier blijkt echter niet dat de kustwacht op enigerlei wijze met die mogelijkheid rekening heeft gehouden (§147).
Op basis van de uitleg van de Griekse regering stelt het EHRM vast dat de Operatie Poseidon van Frontex tot doel had onder meer het controleren van illegale binnenkomst en het arresteren van smokkelaars en irreguliere migranten maar niet het beschermen van het recht op leven van bootpassagiers. Volgens het EHRM, wijzen “verschillende elementen in het dossier erop dat de prioriteit van de operatie niet de bescherming van het recht op leven was” (§ 149).
Volgens het EHRM is er geen verklaring voor het feit dat de kustwacht niet beter was voorbereid om het waarschijnlijke geweld van de smokkelaars te beheersen met alternatieve methoden dan vuurwapens. Door te schieten op een overvol jacht met paniekerige passagiers, hebben de kustwachters niet de vereiste waakzaamheid betracht om elk risico voor mensenlevens tot een minimum te beperken (§ 153).
Het materiële aspect van artikel 2 EVRM is daarmee ook geschonden wat betreft de voorbereiding en uitvoering van de operatie.
Geen schending artikel 2 (materieel vlak, gebruik van geweld): geen bewijs van buitensporig gebruik van dwang
Het EHRM komt tot een tegenovergestelde conclusie over het gebruik van geweld. Vanwege de lacunes in het onderzoek konden twee cruciale feiten niet met voldoende zekerheid en buiten redelijke twijfel worden vastgesteld: ten eerste dat een van de Turkse onderdanen het wapen van de kustwachter had gepakt en gebruikt, en ten tweede dat hij met een brandbare vloeistof was overgoten. Volgens het EHRM was het gebruik van geweld in de gegeven omstandigheden, hoe tragisch de gevolgen ook waren, niet verder gegaan dan wat “absoluut noodzakelijk” was. Derhalve is er in dit opzicht geen sprake van een schending van artikel 2 EVRM.
Afwijkende opinie rechter Hüseynov over het gebruik van dwang
In een afwijkende opinie stelt de Azerbeidzjaanse rechter Hüseynov dat het gebruik van dwang met een vuurwapen in de omstandigheden van de zaak wél het materiële aspect van artikel 2 EVRM heeft geschonden. Naar zijn mening is de redenering van de meerderheid methodologisch onjuist. Die zou impliceren dat het EHRM, om te concluderen dat het gebruik van dodelijk geweld in een bepaald geval niet absoluut noodzakelijk was, over voldoende bewijs moet beschikken, en dat bij gebrek aan dergelijk bewijs wordt geconcludeerd dat er geen schending heeft plaatsgevonden. Hij meent dat de redenering omgekeerd moet zijn. In gevallen waarin het EHRM de precieze omstandigheden van de zaak niet kan vaststellen om redenen die objectief zijn toe te schrijven aan de overheidsinstanties, rust ook de bewijslast dat het door de politie gebruikte geweld gerechtvaardigd was, op de regering. Dat blijkt uit veel arresten van het EHRM (§§ 5-6). Zeker in dit geval, met name waarin het nationale onderzoek naar het gebruik van dodelijk geweld ernstige tekortkomingen vertoont, is hij van mening dat het EHRM had moeten concluderen dat het gebruik van vuurwapens niet absoluut noodzakelijk was op basis van artikel 2 EVRM.