Samenvatting
In deze zaak heeft het EHRM geoordeeld dat de Griekse autoriteiten tweemaal artikel 2 EVRM hebben geschonden. Dit door het ontbreken van een effectief onderzoek (procedureel aspect) na het gebruik van een vuurwapen tegen een boot met Syrische migranten aan boord, waarbij de vader en echtgenoot van de verzoekers omkwamen. Daarnaast werd geoordeeld dat het gebruik van het vuurwapen tijdens de toezichtsoperatie noch noodzakelijk noch evenredig was (materieel aspect). Als compensatie kende het EHRM de verzoekers een morele schadevergoeding toe van 80.000 euro voor het verlies van respectievelijk hun vader en echtgenoot.
Feiten: Griekse kustwachter vuurt 13 kogels af om een boot met migranten te onderscheppen, dit ten koste van het leven van een Syrische onderdaan
De verzoekers zijn de echtgenote en kinderen van Belal Tello, een Syrische burger, die overleed nadat hij door een Griekse kustwachter in het hoofd werd geschoten.
Op 22 september 2014 zat het Syrische gezin in een boot, samen met 2 Turkse smokkelaars en 12 Syriërs in totaal, richting het Griekse eiland Pserimos. Een geplande patrouille van Griekse kustwachters, die deel uitmaakte van de gezamenlijke Europese operatie "Poseidon - Maritime Borders 2014", is dezelfde dag vanuit Kalymnos vertrokken. Om 6u45 ‘s morgens werden ze opgemerkt door de Griekse kustwacht die via luidsprekers riepen om te stoppen. De bestuurder gehoorzaamde niet en begon gevaarlijke manoeuvres uit te voeren, met als gevolg dat hun boot twee of drie keer botste tegen die van de kustwacht. De botsing veroorzaakte een scheur van ongeveer een centimeter in het rechter voorste deel van de binnenband van de boot van de kustwacht. Een kustwachter vuurde eerst 7 waarschuwingsschoten af maar de Turkse boot stopte niet. Dan vuurde hij dertien schoten af gericht op de motor van de speedboot, d.w.z. een heel magazijn in totaal (twintig kogels). De boot werd uiteindelijk onderschept terwijl hij terug richting Turkije voer. De passagiers en de Turkse bestuurders werden met de boot van de kustwacht op het Griekse eiland Kalymnos gebracht. Van de passagiers raakten twee Syriërs ernstig gewond, de ene werd in de schouder geschoten en de andere, Belal Tello, in het hoofd, met een coma als gevolg. Hij werd per helikopter naar het ziekenhuis van Rhodos gebracht, op de afdeling intensive zorgen. Hij werd mechanisch beademd nadat een ernstig hersenletsel was vastgesteld. In december 2015 stierf hij.
In juni 2015 werd het strafrechtelijk onderzoek naar de twee kustwachters geseponeerd door de procureur. De procureur stelde dat de twee Turkse bestuurders verantwoordelijk waren voor het negeren van het politiebevel om te stoppen, voor gevaarlijke manoeuvres en voor de botsing met de kustwacht, die het leven van de kustwachters in gevaar bracht. In mei 2015 werden de twee Turkse bestuurders door het Assisenhof van Rhodos veroordeeld voor mensensmokkel maar wel vrijgesproken voor de tenlasteleggingen “poging tot het veroorzaken van een schipbreuk die mensenlevens in gevaar brengt” en “anderen blootstellen aan een gevaar voor hun leven”.
Voor het EHRM stellen verzoekers dat de Griekse autoriteiten artikel 2 EVRM geschonden hebben, door de onnodige en onevenredige schoten van de kustwacht die hun gezinslid zwaar gewond (en dan gedood) heeft (materieel vlak) en dat er geen effectief onderzoek naar de omstandigheden is gevoerd (procedureel vlak).
Schending artikel 2 (procedureel vlak): het onderzoek was niet effectief en heeft het woord van de kustwachter zonder diepgaande verificaties vertrouwd
Het EHRM bekijkt eerst of de Griekse gerechtelijke autoriteiten een daadwerkelijk onderzoek hebben gevoerd. Om "daadwerkelijk" in de zin van artikel 2 EVRM te zijn, moet een onderzoek eerst adequaat zijn. Het moet mogelijk maken om vast te stellen of het gebruik van geweld door staatsagenten al dan niet gerechtvaardigd was in de omstandigheden van het geval, en om de verantwoordelijken te identificeren en - indien nodig - te straffen. De conclusies van het onderzoek moeten gebaseerd zijn op een zorgvuldige, objectieve en onpartijdige analyse van alle relevante factoren.
In casu is het EHRM van oordeel dat het onderzoek niet doeltreffend was en dit omwille van drie redenen:
Ten eerste, heeft de procureur zich berust op de verklaringen van de kustwachters om de zaak te seponeren. Volgens de kustwachters heeft de botsing veroorzaakt door de Turkse boot, waardoor een luchtlek is ontstaan, hun leven in gevaar heeft gebracht. De verwondingen van Belal Tello zouden te wijten zijn aan het afketsen van kogels die zijn afgevuurd op de motor als gevolg van de onhandige en gevaarlijke manoeuvres van de Turkse bestuurder. De procureur gebruikt ook de gelijkaardige verhoren van de 10 passagiers, genomen op de dag zelf van het incident, die allemaal de volgende stelling bevatten: "De bestuurder van de speedboot was verantwoordelijk voor de verwondingen van de twee mensen, omdat hij de bevelen van de patrouilleboot om te stoppen niet opvolgde". Dat de procureur geen ander verhoor van geen enkele passagier beviel na die gestereotypeerde verklaringen en dat de tweede verwonde passagier nooit werd verhoord, kan twijfel doen rijzen over de daadwerkelijkheid van het onderzoek.
Ten tweede, merkt het EHRM dat bepaalde onderzoeksmaatregelen duidelijk nodig waren, maar niet werden uitgevoerd, met name:
- Een medisch forensisch expertise over het letsel van Belal Tello :
- een ballistisch rapport om(1) de baan van de verschillende schoten vast te stellen, waaronder het schot dat verzoekers' naaste familielid had geraakt, om te bepalen of de verwondingen in feite waren veroorzaakt door een terugslag of eerder door een kogel die zijn doel had gemist, namelijk de buitenboordmotor van de speedboot, en (2) naar de plaats waar verzoekers' naaste familielid zich bevond toen hij werd geraakt.
- Een gedetailleerde expertise van de twee voertuigen om vast te stellen of de botsing waarschijnlijk het zinken van de boot van de kustwacht had kunnen veroorzaken.
Ten derde, heeft de procureur geen rekening gehouden met het vonnis van het Assisenhof van Rhodos. Volgens dat vonnis waren de Turkse bestuurders niet verantwoordelijk voor de verwondingen van de passagiers en het leven van de kustwachters was niet in gevaar gebracht door de botsing. Een scheur van ongeveer 1 cm in de binnenband van de boot van de kustwacht zou er niet toe leiden dat de boot leegloopt, omdat de binnenband zo is geconstrueerd dat hij in drie compartimenten is verdeeld, wat het risico op zinken uitsluit. Het EHRM stelt vast dat de procureur geen uitleg heeft gegeven over de reden waarom hij tot een andere conclusie is gekomen. Bovendien, heeft hij nooit grondig onderzocht of het gebruik van vuurwapens in casu, te weten de dertien schoten op de motor van de boot, absoluut noodzakelijk en evenredig was in het licht van het nagestreefde doel.
Daardoor is het procedurele aspect van artikel 2 EVRM geschonden.
Schending artikel 2 (materieel vlak): gebruik van vuurwapen noch noodzakelijk noch evenredig
Het EHRM onderzoekt drie aspecten:
1) of de verwerende staat heeft voldaan aan zijn verplichting om een passend wettelijk en bestuursrechtelijk kader vast te stellen voor het gebruik van geweld door de kustwacht,
2) of de betrokken operatie op zodanige wijze was georganiseerd dat het risico van schade voor Belal Tello tot een minimum werd beperkt, en, ten slotte,
3) of het gebruik van geweld absoluut noodzakelijk was.
1) Wettelijk en bestuursrechtelijk kader
Het EHRM stelt vast dat de interventies op de zee van de kustwacht, inbegrepen het gebruik van vuurwapens, zijn geregeld door een reglement van 2004 dat voldoende garanties bevat voor het respect voor het leven. Toch verwezen de procureur en de nationale autoriteiten enkel naar vertrouwelijke interne politierichtlijnen van 1992 die dergelijke garanties niet bevatten, en nooit naar het reglement van 2004. In tegenstelling tot het reglement van 2004, is er nergens melding gemaakt van de noodzaak om te voorkomen dat derden worden geraakt door gemiste schoten of door afketsen van projectielen. In plaats daarvan lijken ze prioriteit te geven aan het doel van de onderscheppingsoperatie, namelijk het stoppen van het gecontroleerde vaartuig. Gelet op het onzekere karakter van het toepasselijke rechtskader, en in het bijzonder het feit dat de kustwacht vertrouwelijke instructies van 1992 toepaste die minder gedetailleerd waren dan de relevante wetgeving ter zake, beoordeelt het EHRM dat Griekenland nagelaten heeft een adequaat rechtskader tot stand te brengen voor het gebruik van potentieel dodelijk geweld bij maritieme bewakingsoperaties.
2) Organisatie en uitvoering van de maritieme operatie
Hadden de kustwachters moeten weten dat er zich migranten in de cabine van de Turkse boot bevonden? In het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen hen, hebben de kustwachters, als verdachten, beweerd dat enkel de Turkse bestuurders vanop afstand zichtbaar waren en dat ze pas na de interceptie de migranten ontdekt hebben. Als getuige in het kader van het onderzoek tegen de Turkse smokkelaars, heeft een kustwachter verklaard dat hij en zijn collega er zeker van waren dat er migranten in de boot waren. Volgens het EHRM -ondanks de zeer ernstige aanwijzingen dat de boot passagiers vervoerde, -hebben de kustwachters niet de nodige stappen ondernomen om zich ervan te vergewissen dat er geen andere passagiers aan boord waren, alvorens op de motor van de motorboot te schieten. Bovendien merkt het EHRM op dat het schieten op de motor van een verdacht vaartuig terwijl de boot in beweging is, uiterst gevaarlijk is. Twee elementen versterken die vaststelling in casu. Eerst, was de agent gewond aan zijn linkerarm na een val die werd veroorzaakt door de botsing tussen de twee voertuigen. Ten tweede, gebruikte de kustwachter een draagbaar wapen (aangezien hun boot niet was uitgerust met een vast wapen), terwijl de regelgeving het gebruik van een vast wapen in die omstandigheden voorschrijft. De onderscheppingsoperatie is in casu niet op zodanige wijze uitgevoerd dat het gebruik van dodelijk geweld en de mogelijke risico's voor het leven van Belal Tello tot een minimum worden beperkt.
3) Gebruik van dwang en van vuurwapen
Het EHRM stelt vast dat het hoofddoel voor het gebruik van het vuurwapen de aanhouding van de Turkse smokkelaars was. Het onderzoekt ook de schoten als reactie op de dreiging voor het leven van de kustwachters. Het EHRM herhaalt dat een dergelijk risico voor het leven alleen kan worden gerechtvaardigd als vuurkracht wordt gebruikt als laatste redmiddel en ter voorkoming van het bewezen en onmiddellijke gevaar dat de bestuurder van een voertuig zou vormen als hij erin slaagt te ontsnappen. In casu acht het EHRM het gebruik van vuurwapens “duidelijk disproportioneel” (§146) door het gebrek aan voorzichtigheid en gebrek aan risicoanalyse van impact op de passagiers, het feit dat de vervolgde boot van richting veranderde in een poging om in de richting van Turkije te vluchten, en het feit dat de bestuurder ongewapend was. Zonder het gevaar van de manoeuvres van de Turkse boot te minimaliseren is het EHRM, ook door de lacunes van het Griekse onderzoek, van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is vastgesteld dat de twee kustwachters aan een reëel en onmiddellijk gevaar voor hun leven waren blootgesteld. Het EHRM concludeert dat het gebruik van geweld in deze zaak niet absoluut noodzakelijk was en evenmin strikt evenredig aan de legitieme doelen bedoeld in artikel 2 EVRM (noch om smokkelaars aan te houden, noch als verdediging tegen onrechtmatig geweld).
Het materiële vlak van artikel 2 EVRM is dus ook geschonden.