Samenvatting
In deze zaak oordeelt het EHRM dat artikel 6 EVRM niet geschonden is door de verplichte verschijning van verzoeker via videoverbinding (na weigering van een visum) voor een Noorse familierechtbank over het ouderlijk gezag over zijn biologische zoon.
Feiten: Door weigering visum moet Gambiaan via videoverbinding voor rechters verschijnen over het ouderlijk gezag over zijn biologische zoon
De verzoeker in deze zaak is de biologische vader van een kind, geboren in Noorwegen in 2011. Hij leeft in Gambia en heeft weinig contact met zijn zoon, die samen met zijn moeder in Noorwegen leefde. Na de dood van de moeder in 2017, moet een Noorse rechtbank een geschil beoordelen over het ouderlijk gezag tussen verschillende partijen, waaronder de verzoeker. Na een eerste beslissing in eerste instantie, negatief voor verzoeker, wou de verzoeker voor de zitting voor het Hof van Beroep aanwezig zijn. In een brief aan de Immigratiedienst dd. 22 november 2018, benadrukt het Hof van Beroep dat fysieke aanwezigheid van Dhr. Jallow voor de hele duur van de zitting van 10 en 11 januari 2019 wenselijk is. Dit om de gelijkheid van wapens tussen de partijen te garanderen zodat verzoeker rechtsreeks met andere partijen, de deskundige aangesteld door het Hof en met de rechters kan debatteren. Het Hof van Beroep achtte een videoconferentie technisch mogelijk, maar zou niet kunnen zonder meerdere onderbrekingen zodat de verzoeker met zijn advocaat zou kunnen uitwisselen. Op 7 januari 2019, pas drie dagen voor de zitting, neemt de Noorse Immigratiedienst een beslissing tot weigering van het visum op basis van een risico op emigratie naar Noorwegen. Het Hof van Beroep weigerde het uitstel van de zitting in het belang van het kind. Verzoeker kon de zitting gedeeltelijk via Skype volgen. Op 11 januari 2019, geeft het Hof van Beroep hem ongelijk: verzoeker is niet het best geplaatst om beslissingen te nemen in het belang van het kind. Hij heeft zijn biologische zoon één keer ontmoet gedurende een vakantieperiode vier jaar eerder in Gambia en heeft nauwelijks telefonische contacten met hem.
Voor het EHRM beweert Dhr. Jallow dat de weigering van het visum door de Noorse Immigratiedienst artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) heeft geschonden.
Geen schending artikel 6 EVRM: zitting via videoconferentie was geen substantieel nadeel
Volgens het EHRM is de vraag niet of een visum had moeten worden verleend om verzoeker een eerlijk proces te verzekeren, maar of het proces, in casu, eerlijk was, gelet op het feit dat Dhr. Jallow Noorwegen niet mocht binnenkomen om er fysiek aanwezig te zijn.
Het EHRM antwoordt negatief op deze vraag. Zoals reeds gesteld, zijn verschijningen per videoverbinding als zodanig niet noodzakelijkerwijs problematisch, mits deze maatregel in een gegeven geval een legitiem doel dient en de regeling verenigbaar is met de eis van een eerlijk proces (§ 64 zie o.m. EHRM, Dijkhuizen t. Nederlands, nr. 61591/16, § 53, 8 juni 2021). In casu stelt het EHRM vast dat verzoeker gedurende de hele zitting door zijn advocate was bijgestaan en dat ze geen bezwaar had over de organisatie van de zitting, bv. dat ze niet heeft geklaagd over het gebrek aan vertrouwelijke gesprekken met haar client gedurende de zitting. Het EHRM merkt ook dat de zaak was beperkt tot het ouderlijk gezag, waar de fysieke aanwezigheid van de betrokkenen minder belangrijk is dan in geschillen over de hoede en het dagelijkse leven van kinderen. Op basis van die elementen, beoordeelt het EHRM dat zijn deelname via videoverbinding “geen substantieel nadeel” was in de zin van de rechtspraak inzake het recht op een eerlijk proces. Artikel 6 EVRM is dus niet geschonden.