Samenvatting
In deze zaak veroordeelt het EHRM Polen voor een schending van artikel 3 EVRM voor een voorgenomen uitlevering aan China waarbij verzoeker een reëel risico op mishandeling in detentie zou lopen. Het EHRM veroordeelt Polen eveneens voor onrechtmatige detentie wegens ongerechtvaardigde vertraging van de procedure (artikel 5, lid 1, sub f EVRM). De verzoeker krijgt 6.000 euro morele schadevergoeding toegekend.
Feiten: verzoek tot uitlevering aan China ingewilligd
De verzoeker, afkomstig uit Taiwan, wordt op 6 augustus 2017 in Polen gearresteerd op basis van een internationaal aanhoudingsbevel. Hij werd gezocht in het kader van een internationaal Chinees-Spaans onderzoek naar een omvangrijk internationaal telecomfraudesyndicaat. In september 2017 verzochten de Chinese autoriteiten Polen hem uit te leveren aan de Volksrepubliek China. In februari 2018 oordeelde de regionale rechtbank dat de uitlevering van verzoeker aan China in overeenstemming zou zijn met het Poolse recht. Het merkte op dat er geen redenen waren om te vermoeden dat hij het risico zou lopen op foltering, andere vormen van mishandeling of een flagrante ontkenning van zijn recht op een eerlijk proces. Op 26 juli 2018 bevestigde het Hof van Beroep de beslissing van de regionale rechtbank.
Op 12 september 2018 legde het EHRM de regering een voorlopige maatregel. Op basis van die maatregel mag Polen de verzoeker tot nader order niet uitleveren.
Op 7 mei 2019 heeft de Poolse Commissaris voor de Mensenrechten namens verzoeker cassatieberoep ingesteld bij het Hooggerechtshof, dat dit beroep op 1 oktober 2020 heeft verworpen. Indien hij zou worden uitgeleverd, zou verzoeker in het Chinese penitentiaire systeem worden geplaatst.
Schending artikel 3 EVRM: bij uitlevering in een Chinees detentiecentrum een reëel risico op mishandeling
Wat betreft de beoordeling door de nationale autoriteiten van de beweringen over een reëel risico van mishandeling, stelt het EHRM vast dat de nationale rechterlijke instanties de vorderingen van verzoeker hebben afgewezen op grond dat hij geen individueel risico op foltering of andere vormen van mishandeling had aangetoond. Hun beoordeling omvatte echter geen analyse van recente informatie van bijvoorbeeld organen van de Verenigde Naties en/of andere internationale of niet-gouvernementele organisaties over de situatie in Chinese detentiecentra, die gemakkelijk beschikbaar was. Het EHRM was er dus niet van overtuigd dat de beweringen van verzoeker door de nationale autoriteiten naar behoren waren onderzocht.
Vervolgens voert het EHRM zelf een onderzoek naar het vermeende risico van mishandeling. Het stelt vast dat China het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) heeft ondertekend, maar niet geratificeerd. Ook is het geen partij bij het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en heeft het de bevoegdheid van het Comité van de Verenigde Naties tegen foltering (CAT) om een onderzoek in te stellen niet erkend. Bijgevolg kunnen personen die beweren dat hun fundamentele mensenrechten waren geschonden, geen beroep doen op een onafhankelijk internationaal beschermingsmechanisme, noch kan een onafhankelijke internationale instantie in China een onderzoek ter plaatse uitvoeren zonder dat het door China daartoe wordt uitgenodigd.
Het EHRM meent dat wanneer de binnenlandse wetgeving in het land van bestemming vele belangrijke tekortkomingen vertoont en er in onafhankelijke rapporten uit talrijke bronnen beschuldigingen van ernstige misbruiken zijn geuit, een persoon die bescherming zoekt het voordeel van de twijfel moet worden gegund.
De Poolse regering heeft van de Chinese autoriteiten slechts informele verklaringen gekregen dat de mensenrechten van verzoeker zouden worden geëerbiedigd. Zij heeft geen diplomatieke garanties bekomen op grond waarvan het EHRM kan beoordelen of deze garanties in de praktijk voldoende waarborgen bieden voor de bescherming van verzoeker tegen het risico op mishandeling.
Bijgevolg kan, gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd en op de verschillende rapporten van organen van de Verenigde Naties en andere organisaties, waaraan het EHRM veel gewicht toekent, de mate waarin foltering en andere vormen van mishandeling volgens geloofwaardige en consistente berichten in Chinese detentiefaciliteiten en penitentiaire inrichtingen worden toegepast, worden gelijkgesteld met het bestaan van een algemene geweldssituatie. Daardoor hoefde verzoeker geen specifieke persoonlijke redenen van vrees aan te tonen, maar volstond het dat werd vastgesteld dat hij bij uitlevering in een Chinees detentiecentrum of penitentiaire inrichting zou worden geplaatst waar hij, aldus het EHRM, een reëel risico op mishandeling zou lopen. Het EHRM oordeelt unaniem dat er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM.
Schending artikel 5 EVRM: onrechtmatige detentie in Polen
Verzoekers detentie vanaf 6 augustus 2017 was bevolen met het oog op zijn uitlevering door Polen. De eerste periode duurde minder dan een jaar tot de beslissing van het Hof op 26 juli 2018. De gelijktijdige uitleverings- en asielprocedure waren door de autoriteiten met de nodige voortvarendheid voortgezet.
Dat gold echter niet voor de periode van 26 juli 2018 tot heden. De Hoge Raad had na een jaar en vier maanden - na een totale detentieperiode van drie jaar en twee maanden - op 1 oktober 2020 arrest gewezen.
Gelet op de aard van de uitleveringsprocedure, die tot doel had de vervolging van verzoeker in een andere staat voort te zetten, en de ongerechtvaardigde vertragingen in de procedure, was de detentie van verzoeker derhalve niet "rechtmatig" geweest.
Het EHRM concludeert unaniem dat Polen artikel 5, lid 1, sub f EVRM heeft geschonden.