Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 37726/21 - 7-09-2023

Samenvatting

Het EHRM oordeelt dat de uitlevering van de broer van de ex-president naar Burkina Faso zonder een nieuw ex-nunc onderzoek naar het risico op mishandeling en zonder bevestiging van de betrouwbaarheid diplomatieke garanties na de staatsgreep van 2022, artikel 3 EVRM (procedureel aspect) schendt.
 
Feiten: uitlevering van broer ex-president naar Burkina Faso
 
Verzoeker Paul François Compaoré is de broer en voormalig raadgever van Blaise Compaoré, president van Burkina Faso tussen 1991 en 2014. Sinds de val van het regime verblijft hij in Frankrijk met zijn gezin. In 2017 heeft een Burkinese onderzoeksrechter een internationaal aanhoudingsmandaat tegen de verzoeker uitgevaardigd wegens aanzetten tot moord op een journalist. Verzoeker heeft zijn uitlevering naar Burkina Faso zonder succes aangevochten bij de nationale rechters. In juli 2021 heeft de Franse Raad van State zijn beroep ongegrond verklaard op basis van de diplomatieke garanties die meermaals geboden werden door de Burkinese autoriteiten. Uit deze garanties blijkt ondermeer dat de verzoeker zou worden gedetineerd in een specifieke sectie van de gevangenis van Ouagadougou, die niet overbevolkt zou zijn. Daarnaast zouden de detentieomstandigheden verbeterd worden en de toegang tot bepaalde diensten vergemakkelijkt worden.
 
Bij het EHRM beroept verzoeker zich op een schending van artikel 3 EVRM. Hij beweert dat hij, een levenslange gevangenisstraf riskeert zonder mogelijkheid tot vervroegde vrijlating, dat de detentieomstandigheden vernederend zijn en dat hij foltering riskeert door zijn profiel van leidende figuur van het oude regime. Als voorlopige maatregel (rule 39 van het procedurereglement), heeft het EHRM in augustus 2021 Frankrijk verzocht om de verzoeker niet uit te leveren tot zijn zaak is afgerond. 
     
Criteria om diplomatieke garanties van de verzoekende staat te beoordelen
 
Het EHRM herhaalt dat diplomatieke garanties op zichzelf niet voldoende zijn om bescherming tegen het risico op slechte behandeling te garanderen. Het is ook van essentieel belang om na te gaan of ze in hun praktische toepassing voldoende garantie bieden (§ 98). Dat onderzoek moet uitgevoerd worden op basis van de criteria vastgesteld in 2012 (Othman (Abu Qatada) t. V.K., 17 januari 2012, nr. 8139/09, § 189): 
 
1)     Werden de voorwaarden van de garanties aan hem meegedeeld?
2)     Zijn de garanties specifiek dan wel algemeen en vaag?
3)     Wie heeft de garanties gegeven en heeft deze al dan niet de hoedanigheid om de Staat te binden?
4)     Indien de garanties zijn gegeven door de centrale regering van de ontvangende Staat, hoe groot is de waarschijnlijkheid dat de lokale autoriteiten deze naleven?
5)     Wat is de rechtmatigheid of onrechtmatigheid in de Staat van de behandelingen waarvoor de garanties zijn gegeven?
6)     Gaan ze uit van een al dan niet verdragsluitende Staat?
7)     Wat is de duur en de sterkte van de bilaterale betrekkingen tussen de zendstaat en de ontvangststaat, met inbegrip van de houding van de ontvangststaat ten aanzien van soortgelijke garanties in het verleden?
8)     Wat is de (on)mogelijkheid om objectief te verifiëren of de gegeven garanties worden nagekomen door middel van diplomatieke of andere controlemechanismen, met inbegrip van de onbeperkte mogelijkheid om de advocaten van de verzoeker te ontmoeten?
9)     Bestaat er een daadwerkelijk systeem van bescherming tegen foltering in de ontvangende Staat en de bereidheid van dat land om samen te werken met internationale toezichtmechanismen (met inbegrip van NGO's die zich bezighouden met mensenrechten), beschuldigingen van foltering te onderzoeken en de daders van dergelijke daden te bestraffen?
10)  Werd de verzoeker eerder al slecht behandeld in de ontvangende Staat?
11)  Hebben de rechtbanken van de staat van vertrek/verdragsluitende staat onderzocht of de garanties betrouwbaar zijn?
 
Schending artikel 3 EVRM: In casu, geen ex-nunc onderzoek van de diplomatieke garanties na de staatsgreep
Het is een gevestigd principe dat wanneer de verzoeker zich nog steeds in de zendstaat bevindt, de beoordeling van het risico op slechte behandeling moet worden uitgevoerd op de datum waarop de zaak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt onderzocht (§ 99). Sinds het arrest van de Raad van State in juli 2021, vonden er in Burkina Faso twee staatsgrepen plaats (één in januari 2022 en één in september 2022). De tweede transitieregering, die aan de macht is sinds 30 september 2022, heeft een periode van "opschorting van de grondwettelijke orde" uitgevaardigd die minstens tot juli 2024 geldt. Die regering heeft de diplomatieke garanties, meegedeeld door de vorige regering, niet bevestigd. Bovendien zijn de diplomatieke betrekkingen tussen Burkina Faso en Frankrijk intussen sterk verslechterd onder meer door de uitwijzing van Franse militairen en bepaalde Franse media van het Burkinese grondgebied in 2023. De Franse regering heeft geen bevestiging gevraagd aan de nieuwe Burkinese regering over de diplomatieke garanties en geeft geen uitleg daarover. Volgens het EHRM kan deze situatie het criterium over de betrouwbaarheid van de verstrekte garanties in twijfel trekken. Het EHRM benadrukt dat de nationale autoriteiten een volledige en actuele beoordeling moeten uitvoeren op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit dient indien nodig ambtshalve te gebeuren, vooral wanneer er factoren aan het licht zijn gekomen die zich hebben voorgedaan nadat de nationale autoriteiten hun definitieve beslissing hebben genomen.
Het EHRM oordeelt bijgevolg dat artikel 3 EVRM in zijn procedurele aspect zou worden geschonden indien verzoeker naar Burkina Faso uitgeleverd zou worden. Gelet op de ingrijpende politieke veranderingen die de constitutionele orde beïnvloeden, moet een ex-nunc onderzoek ingesteld worden naar de geldigheid en de betrouwbaarheid van de verstrekte diplomatieke garanties. Zo kan men het risico dat verzoeker wordt onderworpen aan een gevangenisstraf of aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM, uit sluiten.