Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 39090/20 - 8-10-2024

Samenvatting

In deze zaak veroordeelde het EHRM Cyprus wegens schending van artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling - procedureel vlak), artikel 4 Protocol 4 EVRM (verbod op collectieve uitzetting) en artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel), na de pushback van Syrische vluchtelingen naar Libanon in september 2020 zonder onderzoek van risico op slechte behandelingen. Cyprus heeft ook artikel 3 EVRM (materieel vlak) geschonden doordat verzoekers 2 dagen op hun houten boot in de zee moesten blijven bij zomerweer met onvoldoende water en voedsel.

De verzoekers krijgen 22.000 euro morele schadevergoeding toegekend (15.000 voor de uitwijzing naar Libanon en 7.000 voor de 2 dagen op hun houten boot), het bedrag dat ze hadden gevraagd.

Feiten: pushbacks van Syrische vluchtelingen naar Libanon na 2 dagen geblokkeerd in zee op een houten boot

De twee verzoekers zijn Syrische vluchtelingen uit de regio Idlib, die zij in 2016 zijn ontvlucht. In Libanon verbleven zij in een vluchtelingenkamp dat werd beheerd door het UNHCR, onder precaire omstandigheden, zonder verblijfsvergunning en zonder toegang tot werk. Na de explosie in de haven van Beiroet in augustus 2020 en de verslechtering van de economie, vreesden zij gedwongen te worden uitgezet naar Syrië vanwege de toenemende negatieve houding ten opzichte van Syrische vluchtelingen. Op 6 september 2020 gingen zij aan boord van een kleine houten boot met ongeveer dertig anderen, zowel Syriërs als Libanezen, met als bestemming Cyprus. In de ochtend van 6 september werden zij onderschept door de Cypriotische kustwacht. Via een tolk op het schip van de kustwacht vernamen zij dat zij niet van boord mochten gaan op Cyprus. Hun verzoek om asiel aan te vragen werd genegeerd (een feit dat door de Cypriotische regering wordt betwist). Terwijl enkele personen om medische redenen naar een ziekenhuis werden gebracht, moesten de verzoekers twee dagen aan boord van de kleine houten boot blijven, onder toezicht van een schip van de kustwacht.

Op 8 september werden zij gedwongen over te stappen naar een ander schip, waar zich al politieagenten en andere migranten bevonden. Dit schip, gecharterd door Cyprus, bracht hen terug naar Libanon op basis van een bilaterale overeenkomst tussen beide staten. In Libanon verblijven zij nog steeds zonder financiële middelen en zijn zij geregistreerd bij het UNHCR.
Op 7 september 2020 kreeg het EHRM een verzoek tot voorlopige maatregelen (Rule 39 van het procedurereglement) om de pushback te doen stoppen. De griffie meldde op 8 september aan de advocaat dat het verzoek niet kon behandeld worden zonder meer informatie over minstens de identiteit en omstandigheden van de verzoekers. De advocaat werd gecontacteerd door familieleden van de verzoekers en kon slechts één keer en heel kort met de verzoekers spreken vanwege het zwakke communicatiesignaal op zee. Toen de advocaat uiteindelijk de nodige informatie op 8 september om 14u37 aan het EHRM kon melden, waren de verzoekers al op de boot richting Libanon.

Voor het EHRM beweren verzoekers dat Cyprus artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling), artikel 4 Protocol 4 bij het EVRM (verbod op collectieve uitwijzing), artikel 13 EVRM (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel) en artikel 5 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) heeft geschonden.

Schending artikel 3 EVRM (procedureel vlak), artikel 4 Protocol 4 en 13 EVRM: pushback zonder onderzoek van risico op slechte behandelingen
De Cypriotische autoriteiten betwisten dat de verzoekers het slachtoffer waren van een pushback-operatie. Volgens hen zijn de verzoekers bij twee gelegenheden, waaronder tijdens het instappen op de charterboot die naar Libanon vertrok, gevraagd of zij asiel wilden aanvragen. Zij zouden hierop hebben geantwoord dat zij dit niet wilden. Zoals in vele vergelijkbare pushback-zaken (§ 80-81) hecht het EHRM geen geloof aan deze versie van de regering. De praktijk van pushbacks van Cyprus naar Libanon, zonder toegang tot de asielprocedure, is uitgebreid gedocumenteerd (§ 85) in rapporten van overheidsorganisaties (US State Department), internationale organisaties (Verenigde Naties, Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa) en NGO's (Human Rights Watch). Rapporten hebben ook de communicatieproblemen gedocumenteerd van mensen aan wie ontscheping wordt geweigerd en waartoe het UNHCR geen toegang heeft om na te gaan of de passagiers geen asiel willen aanvragen (§83). Hoe kan worden verklaard dat de verzoekers, die onder moeilijke omstandigheden aan boord van de boot hun familieleden vroegen contact op te nemen met het EHRM om asiel aan te vragen in Cyprus via voorlopige maatregelen, plotseling hun inspanningen zouden hebben gestaakt en de mogelijkheid tot asielaanvraag zouden hebben opgegeven op de dag van hun terugkeer naar Libanon (zoals de regering beweert)? Het ontbreken van een overtuigend antwoord op deze vraag (§ 87) brengt het EHRM tot de conclusie dat de verzoekers daadwerkelijk summier zijn teruggestuurd, zonder een mogelijkheid om asiel aan te vragen.
Het EHRM herhaalt dat staten, en in casu Cyprus, zich niet aan hun eigen verantwoordelijkheid kunnen onttrekken door zich te beroepen op verplichtingen die voortvloeien uit bilaterale overeenkomsten met andere landen, in casu Libanon (§ 91). Het EHRM is van oordeel dat de Cypriotische autoriteiten, om te voldoen aan hun procedurele verplichtingen op grond van artikel 3 EVRM, alvorens hen terug te sturen naar Libanon, hadden moeten onderzoeken of die staat veilig was voor verzoekers en of zij daar niet aan slechte behandeling blootgesteld zouden worden. Ze hadden moeten onderzoeken of de verzoekers toegang zouden hebben tot een adequate asielprocedure, zonder risico op ketting-refoulement naar Syrië. Rekening houdend met de voortdurend verslechterende levensomstandigheden van asielzoekers in Libanon sinds de ontploffing in de haven van Beirut in 2020, had de Cypriotische overheid ook moeten nagaan hoe de Libanese autoriteiten hun internationale verplichtingen en verbintenissen inzake de bescherming van vluchtelingen zijn nagekomen.
Bij gebrek daaraan is artikel 3 EVRM (procedureel vlak) geschonden.
Het EHRM stelt vast dat de verzoekers geen individuele en gemotiveerde beslissing hebben ontvangen, zoals een ontschepingsverbod, binnenkomstweigering of uitwijzing naar Libanon. Evenmin kregen zij enige informatie over mogelijke rechtsmiddelen tegen hun uitwijzing naar Libanon, noch toegang tot juridische bijstand. Behalve de identiteitsgegevens van de verzoekers, verzameld op basis van de controle van hun identiteitskaarten aan boord van de boot, hebben de Cypriotische autoriteiten geen enkel interviewverslag van de verzoekers voorgelegd aan het EHRM, noch de vereiste individuele formulieren overeenkomstig het bilaterale akkoord met Libanon. Bij gebrek aan een individueel onderzoek concludeert het EHRM dat sprake is van een collectieve uitzetting van vreemdelingen in de zin van artikel 4 van Protocol nr. 4, dat hiermee door Cyprus is geschonden.

Het EHRM oordeelde ook dat de verzoekers geen toegang hadden gehad tot effectieve rechtsmiddelen tegen hun uitzettingen met een automatische opschortende werking en dat artikel 13 EVRM daarom ook was geschonden.

Schending artikel 3 EVRM (materieel vlak): 2 dagen achtergelaten op een houten boot met onvoldoende water en voedsel

Uit niet-betwiste persartikelen (§ 136) blijkt dat de Cypriotische autoriteiten al in augustus 2020 begonnen waren migranten drie tot vier dagen op zee te laten stranden, blootgesteld aan de zomerzon of de winterkou, zonder toegang tot hygiënische voorzieningen. Dit gebeurde in plaats van hen naar een veilige locatie te brengen, en diende als ontradingsmiddel (§ 129).

De verzoekers werden, samen met andere passagiers, twee dagen op zee vastgehouden zonder van boord te mogen, terwijl hun boot werd bewaakt door een groter kustwachtschip dat in de omgeving patrouilleerde. Het EHRM oordeelt dat de verzoekers onder toezicht stonden van de Cypriotische autoriteiten, die verantwoordelijk waren om hen niet bloot te stellen aan omstandigheden die een onmenselijke of vernederende behandeling vormen, in strijd met artikel 3 EVRM.

De verzoekers moesten twee dagen op zee doorbrengen op een houten boot, samen met ongeveer dertig medepassagiers. Tijdens deze periode waren zij blootgesteld aan de hitte en hadden zij geen toegang tot hygiënische voorzieningen. Zij stellen dat het verstrekte voedsel en water gedurende deze twee dagen in het warme seizoen op Cyprus onvoldoende was om in hun behoeften te voorzien. Het EHRM acht de opmerkingen van de verzoekers over de discrepanties in de door de regering ingediende bewijsstukken gegrond. De regering heeft bij het EHRM een bundel aankoopbewijzen ingediend, waaronder bonnetjes van producten die niet konden worden gebruikt om in de behoeften van de verzoekers te voorzien, aangezien deze afkomstig waren van winkels die zich te ver van de zone bevonden waar de verzoekers verbleven. De door de regering aangevoerde argumenten zijn dan ook onvoldoende om de beweringen van de verzoekers over de ontoereikende verstrekking van voedsel en water te weerleggen (§ 135).

Rekening gehouden met de omstandigheden, acht het EHRM dat Cyprus de verzoekers aan een vernederende behandeling heeft blootgesteld. Artikel 3 EVRM (materieel vlak) is dus geschonden.

De verzoekers hadden ook gepleit dat hun verplicht verblijf op de boot onder toezicht van de kustwachters een willekeurige detentie zonder rechtsmiddel vormde die artikel 5 §1 en §4 EVRM geschonden heeft. Rekening houdend met de vastgestelde schending van artikel 3 EVRM besluit het EHRM dat geen apart onderzoek op basis van artikel 5 EVRM nodig is.