Samenvatting
Op 14 mei 2024 besloot het EHRM twee zaken van de rol te schrappen nadat de Belgische staat zich – via een eenzijdige verklaring - engageerde om zo snel mogelijk een einde te maken aan het systemisch probleem van de niet uitvoering van definitieve rechterlijke beslissingen die het recht op opvang van verzoekers van internationale bescherming opleggen.
Feiten: opvangplaats gekregen meer dan 2 maanden na vonnis arbeidsrechtbank
De verzoekers, afkomstig respectievelijk van Sierra Leone en Iran zijn allebei alleenstaande mannelijke asielzoekers in België. De arbeidsrechtbank van Brussel heeft in twee beschikkingen van 12 juli en 5 augustus 2022 aan de Belgische staat bevolen om hen de materiële hulp en een gepaste opvangplaats te verlenen. Pas op 14 september en 17 oktober 2022, na hun verzoek tot voorlopige maatregelen voor het EHRM, werd hen effectief een plaats toegewezen.
Voor het EHRM beweren ze dat hun recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), op een daadwerkelijk rechtsmiddel (artikel 13 EVRM) en het verbod op vernederende en onmenselijke behandelingen (artikel 3 EVRM) zijn geschonden.
Artikel 3 EVRM: interne rechtsmiddelen niet uitgeput
Het EHRM verwerpt de grief inzake artikel 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) omdat de verzoekers de interne rechtsmiddelen niet uitgeput hebben. Het EHRM bevestigt zijn oordeel uit het arrest Camara (§ 131-135) waarin het eist dat verzoekers een burgerlijke vordering voor de Belgische rechtbanken indienen op basis van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake schending van artikel 3 EVRM. Het EHRM heeft nu “geen reden om zijn standpunt op dit moment te herzien” (§ 29).
Artikel 6 en 13 EVRM: engagement om systemisch probleem op te lossen
In de zaak Camara heeft het EHRM gesteld dat België passende maatregelen overeenkomstig artikel 46 EVRM moest nemen om een einde te maken aan het systemisch probleem van de niet-naleving van bevelen van de arbeidsrechtbanken over de opvang van verzoekers om internationale bescherming. Ongeveer 10 maanden later, in de zaak Ngegba en Attarzadeh erkent de Belgische staat in een eenzijdige verklaring dat de uitvoeringstijd van de beschikkingen van de arbeidsrechtbank niet verenigbaar met artikel 6 EVRM was. De regering verbindt zich ertoe alles in het werk te blijven stellen om zo snel mogelijk een einde te maken aan het systeemprobleem zoals vastgesteld in het arrest Camara.
In casu is het EHRM van oordeel dat de erkenning van een schending in combinatie met de verbintenis om stappen te blijven ondernemen, een gepast herstel vormt. Op individueel vlak merkt het EHRM op dat verzoekers intussen een opvangplaats hebben gekregen. Over het systemisch probleem moet het Comité van Ministers, en niet het EHRM zelf, overeenkomstig artikel 46, § 2 van het EVRM, vaststellen of de door de Belgische Staat gekozen middelen en genomen algemene maatregelen volstaan om zijn verplichting vloeiend uit het arrest Camara na te komen (§19).
Zo acht het EHRM het onderzoek van de zaak ten gronde onnodig, ook omdat er zich geen aparte vraag stelt op basis van artikel 13 EVRM (daadwerkelijk rechtsmiddel). Beide zaken worden dus van de rol geschrapt.
Intussen heeft het Comité van de ministers in september 2024 beslist dat de algemene maatregelen genomen door de Belgische staat onvoldoende zijn. Het Comité heeft de autoriteiten opgeroepen om de capaciteit van hun opvangnetwerk zo snel mogelijk aanzienlijk en duurzaam uit te breiden om de opvangcrisis op te lossen (met een toereikende begroting en een tijdschema met de volgende stappen om hun toezegging na te komen); en heeft hen aangemoedigd om, in afwachting van de reguliere opvang, ook andere maatregelen te nemen, zoals noodopvang en/of het verlenen van financiële steun . Het is niet uitgesloten dat het contentieux voor het EHRM nog nieuwe ontwikkeling kent.