Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 43966/19 - 18-04-2023

Samenvatting

In deze zaak oordeelt het EHRM dat de bijna 2 jaar durende detentie van een Algerijn van ongeveer 70 jaar oud in een gesloten centrum redelijk was en artikel 5§1 f) van het EVRM niet heeft geschonden, en dat de gerechtelijke controle voldoende was (geen schending artikel 5§4 van het EVRM). Het EHRM oordeelt ook dat zijn isolatieregime de drempel van de vernederende behandeling, verboden door artikel 3 EVRM, niet heeft bereikt, ondanks een perceptie van willekeur door de verzoeker.
      Feiten: 31 maanden detentie, gedeeltelijk in kamerregime van 70-jarige Algerijnse asielzoeker
Verzoeker, N.M., voorstander van de Algerijnse FIS (Front islamique du Salut) vluchtte uit Algerije in de jaren 90. Na een negatieve asielprocedure in België, keerde hij terug naar Algerije. In 2008 diende hij een tweede asielaanvraag in die ook werd afgewezen. Na een verblijf in Syrië, werd hij in 2015 in Duitsland aangehouden op basis van een Belgisch Europees aanhoudingsbevel wegens terroristische activiteiten. Na bijna 2 jaar voorlopige hechtenis in de gevangenis van Hasselt, krijgt hij in september 2017 een voorwaardelijke vrijlating. Vervolgens belandt hij in de speciale vleugel bestemd voor “openbare orde vreemdelingen” van het gesloten centrum Vottem. In april 2018 wordt hij tot 3 jaar cel veroordeeld met uitstel voor wat de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt.
In Vottem dient verzoeker een derde asielaanvraag in. Hij krijgt pas nadien een ministerieel besluit van ter beschikkingstelling aan de regering, rechtsgrond voor zijn detentie op basis van openbare orde gedurende zijn asielprocedure (op basis van het vorige artikel in de vreemdelingenwet). Na een eerdere uitsluitingsbeslissing met een niet-terugleidingsclausule, trekt het CGVS in 2019de beslissing in, en neemt het een nieuwe uitsluitingsbeslissing, maar ditmaal zonder niet-terugleidingsclausule. Het CGVS is van mening dat zijn terugkeer naar Algerije geen individueel ernstig risico op foltering of mishandeling met zich meebrengt, rekening houdend met het arrest M.A. tegen Frankrijk van het EHRM (nr. 9373/15 van 1 februari 2018).
Verzoeker bekomt een voorlopige maatregel bij het EHRM dat België beveelt om hem niet naar Algerije te verwijderen tijdens de behandeling van de procedure bij het EHRM. De maatregel wordt nadien opgeheven omdat het asielberoep bij de RVV schorsend is.
In 2020 wordt verzoeker opnieuw in voorlopige hechtenis geplaatst en krijgt in 2021 een nieuwe veroordeling van 8 maanden cel wegens bedreigingen aan een kamergenoot in het gesloten centrum Vottem.
Tussen september 2017 en maart 2018 wordt hij aan een “kamerregime” onderworpen. Dit betekent geen contacten met andere bewoners, en twee individuele wandelingen op de binnenplaats per dag, en een visuele controle van zijn kamer, elk uur dag en nacht (met licht en lawaai). Na een klacht bij de klachtencommissie wordt hij in maart 2018 naar het groepsregime verplaatst en gaat, in augustus 2019 op eigen vraag terug in kamerregime.
Verzoeker beweert dat zijn administratieve detentie in Vottem artikel 5§1 f) EVRM geschonden heeft. Zijn detentie was volgens hem niet redelijk omdat er geen perspectief van verwijdering binnen een redelijke termijn bestond door zijn hangende asielaanvraag en de voorlopige maatregel bevolen door het EHRM. Zowel de raadkamer als de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) hebben zijn beroepen verschillende keren afgewezen. Voor het EHRM beweert verzoeker bovendien dat artikel 5§4 (daadwerkelijk rechtsmiddel ivm detentie), ook is geschonden en dat zijn isolatieregime in Vottem artikel 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen) heeft geschonden.    
Geen schending artikel 5§1 EVRM: detentieduur redelijk rekening houdend met openbare orde
Het EHRM herhaalt dat de vrijheidsberoving op grond van artikel 5 §1 f) (tweede deel) EVRM alleen kan worden gerechtvaardigd door het feit dat er een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is. Als een dergelijke procedure niet met de nodige zorgvuldigheid wordt gevoerd, is de detentie niet langer gerechtvaardigd. Dat geldt ook wanneer de autoriteiten geen realistische vooruitzichten hebben om de persoon uit te zetten, en wanneer de vasthouding louter gebeurt om redenen van nationale veiligheid. 
Het EHRM stelt vast dat de verwijdering van verzoeker naar Algerije gepland was en werd uitgesteld na de indiening van de asielaanvraag. Volgens de verzoeker maakte zijn bescherming tegen refoulement gedurende zijn asielprocedure zijn detentie strijdig met het EVRM omdat er geen sprake meer kon zijn van een hangende uitwijzingsprocedure. Het EHRM deelt zijn interpretatie niet: het indienen van een asielaanvraag maakt de administratieve detentie van een asielzoeker op zich niet onverenigbaar met artikel 5, lid 1, onder f), indien de autoriteiten het doel van verwijdering van de asielzoeker nog nastreefden (§ 92).
In casu, oordeelt het EHRM dat de Belgische autoriteiten de verwijdering van verzoeker gedurende de hele asielprocedure bleven overwegen, ook door het risico op basis van artikel 3 EVRM te heronderzoeken. Dezelfde redenering geldt ook bij de voorlopige maatregel aangenomen door het EHRM zelf (§102). Het EHRM heeft al beoordeeld dat de tenuitvoerlegging van een voorlopige maatregel op zich geen invloed heeft op de verenigbaarheid met artikel 5, lid 1, EVRM van de vrijheidsbeneming waaraan de met uitzetting bedreigde verzoeker wordt onderworpen (Gebremedhin [Gaberamadhien] t. Frankrijk, nr. 25389/05, § 74, en Yoh-Ekale Mwanje t. België, nr. 10486/10, § 120, 20 december 2011).
Volgens het EHRM, kan er niet worden verweten dat de autoriteiten niet hebben gekozen voor alternatieven voor zijn detentie omdat hij, ondanks zijn leeftijd, niet tot een bijzonder kwetsbare groep behoort (§110). Het EHRM noteert dat verzoeker toegang tot de nodige medische zorgen had en de geboden psychologische begeleiding van het centrum weigerde.
Het EHRM stelt wel vast dat de duur van de detentie bijzonder lang was: meer dan 31 maanden (tussen 20 september 2017 en 20 maart 2020). Toch wordt deze duur in casu niet als onevenredig beschouwd om twee redenen. Ten eerste, was het onderzoek van zijn asielaanvraag bijzonder complex i.v.m. de algemene context in Algerije alsook de individuele situatie van verzoeker. Dat ernstig onderzoek wordt door artikel 3 EVRM vereist. Het EHRM herhaalt dat het EVRM in zijn geheel moet worden gelezen en zodanig worden geïnterpreteerd dat de harmonie en interne consistentie van de verschillende bepalingen wordt gewaarborgd. Ten tweede, stelt het EHRM vast dat de detentie ook op basis van de nationale veiligheid berustte. Het EHRM wil de beoordeling van de gevaarlijkheid van verzoeker, vastgesteld door de Belgische autoriteiten, niet heronderzoeken: die redenen worden gestaafd door zijn strafveroordelingen wegens lidmaatschap aan een terroristische organisatie (verzoeker heeft geen beroep tegen het correctionele vonnis ingesteld) en nota’s van de Veiligheid van de Staat en van OCAD (§ 95 en § 118).
Om al die redenen beslist het EHRM dat de detentie van N.M. artikel 5 §1 f) EVRM niet geschonden heeft.
Geen schending artikel 5§4 EVRM: voldoende rechtelijke controle door de raadkamer en de KI
Artikel 5 §4 EVRM waarborgt het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie.
 
Het EHRM noteert dat verzoeker vijf verzoeken tot invrijheidstelling heeft ingediend, de laatste op 20 december 2018. Verzoeker klaagt dat de raadkamer en KI de verschillende factoren (redelijke perspectief van verwijdering, detentieomstandigheden, evolutie van zijn gevaarlijkheid in de tijd) niet in concreto getoetst hebben. Hierop noteert het EHRM dat de Belgische rechters al de relevante factoren aan zowel de nationale wetgeving als aan het EVRM hebben getoetst. Het merkt ook op dat de detentieomstandigheden na zijn klacht bij de klachtencommissie verbeterd zijn door de gedeeltelijke opheffing van zijn kamerregime.   
Om die redenen, beoordeelt het EHRM dat de rechtelijke controle van de Belgische rechters voldoende was en dat artikel 5§4 EVRM dus niet geschonden is.
Geen schending artikel 3 EVRM: isolatieregime perceptie van willekeur maar drempel niet bereikt
Het EHRM herhaalt dat het gebruik van een isolatiecel op zichzelf geen schending van artikel 3 EVRM vormt. Hoewel langdurige afzondering van elk contact met anderen onwenselijk is, hangt het van de specifieke omstandigheden, de ernst van de maatregel, de duur, het nagestreefde doel en de gevolgen voor de betrokkene af.
Verzoeker klaagt dat hem geen gemotiveerde beslissing m.b.t. zijn kamerregime betekend werd. Pas in december 2017, op vraag van de advocaat van verzoeker, kreeg hij de uitleg dat een kamerregime op basis van artikel 83/1 van het KB van 2 augustus 2002 was genomen.[1] Het EHRM benadrukt dat dit verzuim terecht heeft bijgedragen tot de perceptie van verzoeker dat hij werd onderworpen aan een willekeurige maatregel (§ 148). Toch heeft deze lacune de rechtsgrondslag van de detentie niet ontnomen en kan dit op zich niet leiden tot de vaststelling dat artikel 3 EVRM geschonden is.
Het EHRM merkt op dat de vrees dat verzoeker vanuit een klassieke vleugel andere bewoners zou proberen bekeren en rekruteren, achteraf gegrond bleek te zijn door zijn strafveroordeling wegens bedreiging ten aanzien van een kamergenoot. Bovendien stelt het EHRM vast dat verzoeker toegang tot de medische zorgen heeft, de psychologische begeleiding geweigerd heeft, en uiteindelijk, na maanden in groepsregime, zelf beslist heeft dat het kamerregime hem beter paste (§150).  Om die redenen, beoordeelt het EHRM dat zijn detentieomstandigheden artikel 3 EVRM niet geschonden hebben.
Het EHRM weigert de omstandigheden op basis van artikel 8 EVRM te beoordelen omdat die grieven niet ingeroepen zijn voor de nationale rechters en niet gestaafd zijn.   
Er is dus geen enkele schending van het EVRM vastgesteld in deze zaak.

[1] KB van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.