Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 49857/20 - 30-08-2022

Samenvatting

(samen te lezen met EHRM 30 augustus 2022, nr.1348/21, W. tegen Frankrijk)
In beide zaken veroordeelt het EHRM Frankrijk omdat de nationale rechters het risico op foltering van Tsjetsjeense mannen met banden met de islamitische beweging niet voldoende onderzocht hebben voor hun uitwijzingen naar Rusland. In de zaak R. wordt Frankrijk unaniem veroordeeld wegens schending van het procedurele aspect van artikel 3 EVRM. In de zaak W. vinden 4 op 7 rechters een schending van het materiële aspect van artikel  3 EVRM.
 
Feiten: uitwijzing naar Rusland van Tsjetsjeense mannen gelinkt aan de radicale islamitische beweging
 
Verzoekers zijn Tsjetsjeense mannen geboren in de jaren ‘80. Ze verblijven in Frankrijk op basis van een vluchtelingenstatuut. Ook hun gezin waaronder hun kinderen verblijven in Frankrijk. Ze worden allebei gelinkt aan een radicale islamitische beweging. Het vluchtelingenstatuut van R. werd beëindigd na zijn veroordeling wegens lidmaatschap aan een terroristische organisatie (hij beheerde een blog waarop hij doodsbedreigingen aan politieagenten uitte en hij trouw aan Daesh zwoer). R. behield wel zijn hoedanigheid van vluchteling, zoals in de soortgelijke zaak K.I.[1] waarbij Frankrijk al veroordeeld werd. Familieleden van R. hebben het vluchtelingenstatuut in Frankrijk of in België. W., daarentegen, verloor zowel zijn statuut als zijn hoedanigheid van vluchteling na een beslissing tot opheffing, nadat hij een Russisch paspoort had gevraagd om naar Turkije te reizen. Hij zou in 2010 een militaire opleiding in Pakistan gevolgd hebben. Beide verzoekers hebben de uitwijzingsbeslissingen vergeefs voor de Franse rechtbanken betwist.    
 
Verschillende aanpak bij toepassing van voorlopige maatregel (“Rule 39”)
In beide zaken vragen de advocaten van verzoekers aan het EHRM dat het bij wijze van voorlopige maatregelen aan de Franse autoriteiten oplegt de verzoekers niet uit te wijzen totdat hun zaak ten gronde wordt onderzocht. In de zaak R. wordt de voorlopige maatregel geweigerd omdat het verzoek als onvolledig werd beschouwd. Het verzoek werd door de advocaat van R. op vrijdag 13 november 2020 om 17u24 ingediend maar het EHRM heeft enkel 4 van de 45 bladzijden ontvangen. Op dezelfde dag werd R. effectief naar Rusland uitgewezen. Hij beweert dat hij bij de luchthaven te Moskou ontvoerd werd door agenten van de FSB (Russische veiligheidsdienst), en met een zak rond zijn hoofd naar een militaire basis is gebracht in Tsjetsjenië waar hij werd gefolterd. Volgens zijn schriftelijke getuigenis van mei 2021, zat hij op dat moment nog in een gevangenis in Tsjetsjenië.   
In de zaak W. werd het eerste verzoek om voorlopige maatregel op 8 januari 2021 geweigerd. In een communicatie naar het EHRM had de Franse regering vermeld dat de Franse autoriteiten buiten over de overname geen contact met de Russische autoriteiten hebben gehad. Op 20 januari 2021 wordt een tweede verzoek wel aanvaard. De advocaat van W. had een bewijs voorgelegd dat de bevoegde Franse prefectuur op 4 november 2020 het consulaat van de Russische Federatie, naast het overnameverzoek, wel gedetailleerde informatie over de situatie van de verzoeker heeft verstrekt, waaronder zijn banden met radicale islamitische bewegingen.
Risico beoordeeld op individuele basis ook t.a.v. verdachten of veroordeelden wegens terrorisme bij uitwijzing naar Rusland
 
Volgens rapporten van internationale, nationale organisaties (waaronder het CGVS) en NGO’s kunnen bepaalde categorieën van de bevolking van de noordelijke Kaukasus bijzonder gevaar lopen, waaronder leden van de Tsjetsjeense gewapende strijd, personen die door de autoriteiten als zodanig worden beschouwd, hun familieleden en personen die worden verdacht van of veroordeeld werden voor terroristische daden. Toch is het EHRM van oordeel dat het hier niet gaat om een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM. De beoordeling van het risico voor verzoekers moet derhalve op individuele basis geschieden. Men moet wel rekening houden met het feit dat personen met een dergelijke profiel wellicht meer dan anderen de aandacht van de autoriteiten zullen trekken.
 
Het belang van de samenwerking tussen Franse en Russische inlichting- en veiligheidsdiensten in het onderzoek naar het risico
 
In beide zaken beweert de Franse regering dat zij geen bijzonder contact met de Russische autoriteiten heeft gehad, behalve voor de afgifte van een consulair laissez-passer. In beide zaken hebben verzoekers het EHRM overtuigd dat die bewering niet helemaal met de realiteit overeenkomt.
 
In de zaak R. legt verzoeker een verslag neer van het hoofd van het centrum voor de bestrijding van extremisme van het Tsjetsjeense ministerie van Binnenlandse Zaken dat dateert van 12 november 2020, de dag voor zijn verwijdering. Ondanks de betwisting van de authenticiteit ervan door de Franse regering, houdt het EHRM wel rekening met het verslag. Het EHRM baseert zich op het gehoor van de directeur-generaal van een belangrijke Franse inlichtingendienst voor het Parlement in 2016. Daarin beschrijft hij de samenwerking voor identificatie van Tsjetsjeense strijders tussen zijn dienst en de Russische FSB (§ 134 en §72 van het arrest R. t. Frankrijk).
 
In de zaak W. beschikt het EHRM over het bewijs dat de Franse prefectuur voor de verwijderingsprocedure van verzoeker, rechtstreeks contact heeft gehad met de Russische autoriteiten en hun, naast het overnameverzoek, het dossier heeft overgemaakt over verzoeker, met inbegrip van gedetailleerde informatie over zijn situatie (lidmaatschap van de Tsjetsjeense radicaal-islamitische beweging, dat hij in het verleden heeft gevochten in een Tsjetsjeense terroristische organisatie en dat hij zich inzet voor de internationale jihad, en PV’s van de Franse politie).
 
Zaak R. t. Frankrijk: schending van artikel 3 EVRM (procedurele vlak)
 
Zoals in de zaak KI., beperkt het EHRM zijn analyse tot het procedurele aspect van artikel 3 EVRM. Het EHRM herhaalt dat de vereiste risicoanalyse tijdig moet verricht worden, hetgeen een onderzoek impliceert, zo nodig ambtshalve, van de risico's die op het tijdstip van uitzetting bekend waren of konden zijn. De Franse administratieve rechtbank heeft verzoekers schorsingsverzoek afgewezen, louter door vast te stellen dat er geen ernstige twijfel bestond over de rechtmatigheid van de administratieve beslissing. Het EHRM herhaalt dat het behouden van de hoedanigheid van vluchteling een element is waarmee de nationale autoriteiten in het bijzonder rekening moeten houden bij het onderzoek naar de realiteit van het risico dat hij beweert te lopen in geval van uitwijzing. Deze verplichting bestaat ook al lijkt het behoud van deze hoedanigheid uiteindelijk niet doorslaggevend. Ook de vrees dat verzoeker zou kunnen worden geïdentificeerd als behorend tot een categorie die wegens zijn activiteiten in verband met het islamitische terrorisme wordt geviseerd, moest onderzocht worden. In casu kwam geen enkele analyse aan bod in het onderzoek van de verwijderingsbeslissing. Artikel 3 EVRM is dus geschonden op procedureel vlak.
 
Zaak W. t. Frankrijk: schending van artikel 3 EVRM (materiële vlak)
 
In de zaak W. komt het EHRM tot de conclusie dat artikel 3 EVRM op materieel vlak geschonden is. Ondanks de bewering van het tegengestelde, hadden de Franse autoriteiten wel informatie doorgegeven aan het Russische consulaat over het profiel van verzoeker. W. legt bij het EHRM twee oproepingen voor van de Tsjetsjeense politie, ontvangen door familieleden in Grozny. De oproepingen dateren van een paar dagen na de faxverzending van de Franse prefectuur aan de Russische autoriteit. Familieleden getuigen ook dat de Russische politie hen regelmatig over de verzoeker komt bevragen. De impact van die informatie-uitwisseling op het risico op refoulement is niet door de Franse rechters onderzocht, enkel door de OFPRA (administratieve asielinstantie) die de asielaanvraag van verzoeker onontvankelijk heeft verklaard. In het licht van deze elementen, hun volgorde in de tijd en ook het feit dat willekeurige detentie en foltering in Tsjetsjenië nog steeds voorkomen in geval van terreurverdachten, is het EHRM van oordeel dat verzoeker heeft aangetoond dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar de Russische Federatie zal worden blootgesteld aan slechte behandelingen. Daardoor zou zijn uitwijzing artikel 3 EVRM in zijn materiële aspect schenden.
 
Ook al houdt het EHRM rekening met de beweerde feiten van foltering van R. na zijn uitwijzing naar Rusland, toch krijgen beide verzoekers geen enkele morele schade vergoeding. Het EHRM is van oordeel dat de vaststelling van de schending van artikel 3 EVRM een voldoende herstel is.  
 
Afwijkende opinie in zaak W. t. Frankrijk: subsidiariteitsbeginsel
 
In een afwijkende opinie uiten drie rechters (O’Leary, Mourou-Vikström en Guyomar) dat ze niet instemmen met de schending van artikel 3 EVRM op materieel vlak maar wel met een schending van de procedurele verplichtingen van deze bepaling, net zoals in de zaak R. en in de zaak K.I. Volgens hen, moest het EHRM niet zelf beoordelen of de uitwijzing van W. artikel 3 EVRM effectief schond, maar wel dat hij niet mocht uitgewezen worden zonder nieuw en voldoende onderzoek van het risico op refoulement door de Franse autoriteiten en rechters. Deze minderheid is van mening dat de nationale rechters beter geplaatst zijn om dit te beoordelen. Volgens hen komt een onderzoek door het EHRM zelf in die delicate terrorismezaken niet overeen met de subsidiariteitsbeginsel.


[1] EHRM 15 april 2021, nr.5560/19, K.I. tegen Frankrijk