Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 52232/20 - 17-09-2024

Samenvatting

Het EHRM oordeelt dat Zwitserland artikel 8 EVRM heeft geschonden door de verzoeker uit te wijzen na zijn veroordeling voor een ernstig druggerelateerd delict. De nationale rechtbanken hebben – volgens het EHRM - geen zorgvuldige afweging gemaakt tussen de individuele en publieke belangen en hebben zich uitsluitend gericht op de ernst van het delict, zonder rekening te houden met verzachtende factoren zoals het ontbreken van een strafblad, de voorwaardelijke straf, de stabiele situatie van de verzoeker na zijn veroordeling, en de negatieve gevolgen van de uitzetting voor zijn gezin.

Het EHRM oordeelt dat Zwitserland de verzoeker 10.000 euro morele schadevergoeding moet betalen.

Feiten: uitwijzing van verzoeker wegens strafrechtelijke veroordeling

De zaak betreft een echtpaar: de Bosnische man P.J. (1983) en zijn Servische vrouw R.J. (1986), die hun twee dochters (2014 en 2016) in Zwitserland opvoedt. R.J., die haar hele leven in Zwitserland heeft gewoond, verkreeg in 2021 samen met haar dochters de Zwitserse nationaliteit.

P.J., die sinds hun huwelijk in 2013 in Zwitserland woonde, werd in 2018 gearresteerd wegens het vervoeren van cocaïne. Hoewel de rechtbank hem veroordeelde voor drugshandel, kreeg hij een voorwaardelijke straf vanwege zijn blanco strafblad, medewerking en lage recidiverisico. Tegelijkertijd werd hij verplicht voor vijf jaar uitgezet.

Bij hoger beroep concludeerden de Zwitserse rechtbanken dat P.J.’s misdrijf ernstig was (vervoer van 194 gram cocaïne) en dat zijn terugkeer naar Bosnië en Herzegovina geen bijzondere persoonlijke hardheid zou betekenen. Hij zou niet goed geïntegreerd in Zwitserland, sprak nauwelijks Duits en had slechts tijdelijke banen gehad. Zijn gezin zou zich volgens de rechtbank kunnen aanpassen aan de verhuizing, onder meer gezien de jonge leeftijd van zijn kinderen, en zijn vrouw zou als verpleegkundige zich ook professioneel in Bosnië kunnen integreren. P.J. werd in juli 2021 uitgezet naar Bosnië.

Schending artikel 8 EVRM: geen billijk evenwicht tussen individuele en publieke belangen

Het EHRM herhaalt dat staten het recht en de bevoegdheid hebben om een legaal verblijvende vreemdeling die een strafbaar feit heeft gepleegd op hun grondgebied, uit te wijzen. De nationale rechtbanken moeten echter voldoende gedetailleerde redenen geven voor een dergelijke beslissing en een billijk evenwicht vinden tussen de individuele en publieke belangen.

In deze zaak stelde het EHRM vast dat de nationale rechtbanken niet op afdoende wijze de jurisprudentie van het EHRM hadden toegepast, die een dergelijke belangenafweging vereist. De rechtbanken hadden immers onvoldoende rekening gehouden met de lage mate van schuld van P.J., het feit dat zijn straf voorwaardelijk was, zijn blanco strafblad, zijn status als langdurig immigrant en de nadelige gevolgen van de uitwijzing voor zijn gezin.

Daarnaast hadden de rechtbanken zich uitsluitend gericht op de aard en ernst van het misdrijf, zonder in aanmerking te nemen dat P.J. geen bedreiging meer vormde voor de openbare veiligheid. Kort na zijn veroordeling had hij een voltijdse baan gevonden die hij behield tot zijn uitzetting. Hij had geen nieuwe administratieve of strafrechtelijke overtredingen begaan, wat zijn rehabilitatie en inzet voor een wettelijk gedrag aantoonde. Het EHRM oordeelde daarom dat er sprake was van een schending van artikel 8 EVRM.